Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. De Rechtbank Rotterdam heeft op 1 november 2017 uitspraak gedaan over de aansprakelijkheid van een bestuurder van een failliete vennootschap voor een boedeltekort wegens niet-tijdige openbaarmaking van de jaarrekeningen (artikel 2:248 jo. 2:394 BW).

In artikel 2:248 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat het niet voldoen aan de boekhoudplicht van artikel 2:10 BW en de publicatieplicht van artikel 2:394 BW onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur opleveren, omdat het niet voldoen aan deze verplichtingen, gelet op het gewicht dat aan de nakoming daarvan toekomt, erop wijst dat het bestuur zijn taak ook voor het overige niet behoorlijk vervult.

Een onbelangrijk verzuim wordt daarbij niet in aanmerking genomen. Daarvan is sprake indien het niet voldoen aan de genoemde verplichtingen er in de omstandigheden van het geval niet op wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat.

Indien het gaat om een overschrijding van de in artikel 2:394 lid 3 BW gegeven termijn voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189).

De advocaat van de bestuurder heeft aangevoerd dat voor het overschrijden van de termijn voor het openbaar maken van de jaarrekeningen over 2012 en 2013 een aanvaardbare verklaring bestaat: het is tijdelijk onmogelijk geweest de jaarrekeningen te deponeren, omdat de Belastingdienst verplichtingen jegens de onderneming niet is nagekomen en de onderneming door toedoen van een ander bedrijf, de B-groep, aanzienlijke schade heeft geleden. Daarnaast stelt de advocaat van de bestuurder dat de termijnoverschrijding gering is.

Bestuurder van failliete vennootschap aansprakelijk voor boedeltekort wegens niet-tijdige openbaarmaking jaarrekeningen?

De rechter oordeelt als volgt.

Een rechtspersoon is verplicht uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening openbaar te hebben gemaakt.

De rechter overweegt dat de door bestuurder aangevoerde redenen, wat daar verder van zij, de overschrijdingen van deze termijn niet rechtvaardigen, nu deze redenen onvoldoende zijn onderbouwd door de bestuurder en bovendien niet is gebleken dat tussen deze redenen en de overschrijdingen enig verband bestaat.

De rechter volgt de bestuurder daarnaast niet in zijn standpunt dat de overschrijdingen gering zijn.

Met name ten aanzien van de jaarrekening over 2013 heeft te gelden dat de termijn voor openbaarmaking ruim is overschreden, nu deze jaarrekening eerst zeventien maanden na afloop van het boekjaar is gedeponeerd.

Daarbij komt dat in het overgelegde uittreksel uit het handelsregister gehouden door de Kamer van Koophandel staat vermeld dat de jaarrekeningen over 2014 en 2015 in het geheel niet zijn gedeponeerd. Deze gegevens zijn door de bestuurder niet betwist.

Gelet op het vorenstaande en de hogere eisen die moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is, is de rechter van oordeel dat geen sprake is van een onbelangrijk verzuim, zodat het bestuur niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2:394 BW. Daarmee staat vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en behoeft de vraag of de onderneming heeft voldaan aan haar boekhoudverplichting uit artikel 2:10 BW geen bespreking.

Op grond van artikel 2:248 lid 2 BW wordt onbehoorlijke taakvervulling vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn, indien het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld wegens schending van artikel 2:394 BW. Het is aan de bestuurder om aannemelijk te maken dat andere feiten en omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement van de onderneming zijn geweest.

De bestuurder heeft aangevoerd dat de omstandigheden dat de Belastingdienst verplichtingen jegens de onderneming niet is nagekomen en de onderneming door toedoen van de B-groep schade heeft geleden, hebben geleid tot het faillissement van de onderneming.

Door de curator is gemotiveerd betwist dat tussen de Belastingdienst en de onderneming een overeenkomst tot stand is gekomen en bovendien weersproken dat de onderneming door toedoen van de B-groep schade heeft geleden.

Het had, gelet op de gemotiveerde betwisting van de curator, op de weg van de bestuurder gelegen zijn betreffende stelling te concretiseren, hetgeen hij niet heeft gedaan. De bestuurder heeft geen stukken in het geding gebracht die zijn stelling(en) op dit punt onderbouwen. De rechter komt aldus tot het oordeel dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dit leidt ertoe dat de bestuurder aansprakelijk is voor het boedeltekort in het faillissement van de onderneming.

De bestuurder heeft met een beroep op artikel 2:248 lid 4 BW aangevoerd dat het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is, gematigd dient te worden. De aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling geven daartoe echter geen aanleiding, terwijl van andere oorzaken van het faillissement niet is gebleken.

Gelet op het vorenstaande zal de vordering van de curator worden toegewezen, in die zin dat de bestuurder zal worden veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht, over de deponeringsplicht en de publicatieplicht van de jaarrekening of over een gering verzuim van de bestuurder bij de publicatieplicht, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.