Van onze advocaat bedrijfsovername. De Hoge Raad heeft op 10 november 2017 uitspraak gedaan over een bedrijfsovername.

Schending balansgarantie? Winstprognose. Uitleg inventaris en inrichting in jaarrekening. Gemiste boekwinst en geleden boekverlies.

In deze procedure vorderen de verkopers veroordeling van de koper tot het alsnog voldoen van het restant van de koopsom voor de aandelen in van de onderneming.

Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank vernietigd. Het hof overwoog daartoe, voor zover in cassatie van belang, in zijn tussenarrest als volgt:

“De koper stelt de schending van de balansgarantie aan de orde. Haar stelling komt er in de kern op neer dat zij niet heeft gekregen wat zij op grond van de overeenkomst mocht verwachten.

De grief heeft betrekking op de waardering van de inventaris. De post inventaris op de balans valt onder de aan de koper verstrekte balansgarantie. De koper stelt dat het opgenomen bedrag niet juist is, dat zij daarop heeft moeten afboeken en dat deze afboeking voor rekening komt van de verkopers. Kern in het betoog van de koper is dat in de waarde van de post inventaris ten onrechte een bedrag ter zake huurdersbelangen is begrepen.

Het hof overweegt daarover als volgt.

Naar tussen partijen vaststaat, is in 1999 de going concern waarde van de inventaris, inclusief ongetaxeerd, exclusief huurdersbelang en btw op juiste wijze getaxeerd op ƒ 1.598.000.

In de jaarrekening over 1999 is deze actuele waarde van de inventaris verhoogd met de going concern huurdersbelangen en wel voor een bedrag van ƒ 1.140.000, waarna in de jaarrekening over 2001 ter zake een bedrag van ƒ 997.000 is opgenomen.

In de jaarrekeningen betreffende de jaren vóór 1999 was de waarde van de inventaris op de balans niet verhoogd met de waarde van het huurdersbelang. Het hof merkt hierbij op dat de koper aan haar vordering niet ten grondslag heeft gelegd dat zij over deze stelselwijziging – verhoging van de waarde van de inventaris met het huurdersbelang – niet is geïnformeerd.

Uit de jaarrekening over 2000, waarin wel melding is gemaakt van herwaarderingen bij de inventaris filialen maar niet van huurdersbelangen, kon een derde zoals de koper niet zonder meer opmaken dat daarin onder de post inventaris een post going concern huurdersbelangen was opgenomen.

De vraag is dan of de koper daarop bedacht had moeten zijn. Het hof begrijpt de stelling van de koper aldus dat zij daarop niet bedacht behoefde te zijn omdat de post huurdersbelang volgens haar een immateriële post betreft en – het toen geldende – artikel 2:384 lid 1 BW eraan in de weg stond deze immateriële post aldus te waarderen.

De verkopers hebben dit bestreden en gesteld dat de post huurdersbelangen geen immateriële post betreft. Verkopers stellen daartoe dat de post huurdersbelangen ziet op materiële investeringen die door de huurder in het pand van de verhuurder hetzij aard- en nagelvast zijn aangebracht hetzij door bestemming blijvend met het verhuurde zijn verbonden.

Uit deze stelling volgt dat het bij huurdersbelangen volgens de verkopers gaat om de waarde van investeringen waarop huurder geen goederenrechtelijke aanspraak – meer – heeft omdat deze investeringen door het pand zijn nagetrokken.

Zij stellen verder dat deze niet te verwijderen zaken in een gehuurde bedrijfsruimte een waarde vertegenwoordigen en dat die waarde ook blijft bestaan voor de verhuurder na afloop van de huurovereenkomst.

Het hof begrijpt hieruit dat de verkopers met huurdersbelangen het oog hebben op een door de verhuurder bij het einde van de huurovereenkomst te betalen vergoeding voor door de huurder gedane investeringen voor zover deze investeringen niet eenvoudig kunnen worden verwijderd (zie artikel 7:216 lid 3 BW).

Aldus ziet de post huurdersbelangen naar het oordeel van het hof op een immateriële post. Deze post is vanaf 1999 op de balans tegen de actuele waarde opgenomen in de post inventaris.

De verkopers hebben – terecht – niet betwist dat artikel 2:384 1id 1 BW zoals dat in 2000 gold eraan in de weg stond om immateriële posten, waarvan hier gesteld noch gebleken is dat het financiële vaste activa betreft, te waarderen tegen de actuele waarde.

Tegen deze achtergrond behoefde koper er niet op bedacht te zijn dat in de post inventaris tevens de actuele waarde van het huurdersbelang was opgenomen. Het hof merkt hierbij nog op dat bij de beëindiging van de huurcontracten bij onder andere Profimarkt en Konmar is gebleken dat de verhuurder niet bereid was een vergoeding voor het huurdersbelang te betalen.

Verkopers hebben gesteld dat uit de vóór de verkoop aan koper overhandigde accountantsverklaring bij de jaarrekening 1999 blijkt van de stelselwijziging met activering van de huurdersbelangen en dat tijdens de bespreking van 26 april 2001 uitvoerig gesproken is over de post inventaris en het daarin begrepen huurdersbelang en dat toen ook is stilgestaan bij de hoogte/waarde daarvan.

De koper heeft een en ander gemotiveerd bestreden. Verkopers zullen in de gelegenheid worden gesteld hun alternatieve stellingen te bewijzen. Indien zij niet slagen in het bewijs van een van deze alternatieve stellingen dan staat daarmee vast dat ten aanzien van de post inventaris de balansgarantie is geschonden voor een bedrag van € 452.419,- (fl. 997.000,-).

Boekwinst en inventaris

In de begroting voor de prognose 2001 is een post boekwinst opgenomen. Zoals boven reeds is overwogen is ten aanzien van de prognose 2001 als geheel noch ten aanzien van de afzonderlijke posten een (impliciete) garantie gegeven. Dit geldt ook voor de prognose van het onderdeel Boekwinst. De bedoelde boekwinst houdt verband met de opzegging door Konmar in december 2000 en de daarop gevolgde overeenkomst met Laurus van 25 april 2001 waarbij Laurus onder meer de KWC-inventaris overneemt.

Uitgaande van deze cijfers is duidelijk dat op de verkoop van de inventaris een lagere boekwinst is gerealiseerd dan de in de prognose 2001 opgenomen boekwinst van f. 1.128.438,-.

In zoverre is deze begroting onjuist en niet “naar beste weten” opgesteld. Anderzijds volgt uit het voorgaande dat, anders dan koper stelt, op deze verkoop geen boekverlies is gemaakt.

Verder heeft koper haar door de rechtbank verworpen stelling dat er sprake is van een dubbeltelling in hoger beroep niet nader onderbouwd zodat het hof, voor zover koper deze stelling in hoger beroep handhaaft, daaraan voorbij gaat.

De slotsom moet dan zijn dat koper aanspraak kan maken op het bedrag dat de gerealiseerde boekwinst achter is gebleven bij de in de begroting opgenomen boekwinst.

Over de bewijsopdracht die het hof van zijn tussenarrest aan verkopers heeft gegeven ten aanzien van de inventaris en het huurdersbelang, heeft het in zijn eindarrest als volgt overwogen:

“Ter voldoening aan deze bewijsopdracht hebben verkopers bij akte na tussenarrest d.d. 22 juli 2014 e jaarrekening over 1999 in het geding gebracht en gewezen op de volgende passages:

op pagina 16: “Stelselwijziging

Aangezien voor een beter inzicht in de vermogenspositie de concernleiding het besluit heeft genomen een gedeelte van de materiële vaste activa op actuele waarde te waarderen, worden de inventaris en inrichting van de filialen met ingang van 31 december 1999 gewaardeerd op actuele waarde. In verband met de stelselwijziging per 31 december 1999 voor de waardering van de inventaris en inrichting van de filialen is de vergelijking met de balanscijfers nader uitgewerkt voor zowel de actuele waarde als de historische kostprijswaardering.

en op pagina 19: “Actuele waarde

Gedurende het verslagjaar zijn door externe makelaars / taxateurs de gehele inventaris en inrichting van alle filialen plaatselijk opgenomen en gewaardeerd op going concern basis. Per balansdatum zijn de inventaris en inrichting van de filialen gewaardeerd op actuele waarde.”

Naar tussen partijen vaststaat, heeft koper deze jaarrekening destijds in het kader van de onderhandelingen ter inzage gehad. Aan koper moet worden toegegeven dat de stelselwijziging van de waarderingsgrondslag niet met zoveel woorden is betrokken op activering van huurdersbelangen. Maar zij spreekt wel van de inventaris en de inrichting van de filialen, waarbij het om de zogenaamde shop-in-shop formule ging. Anders dan koper voorstaat, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet zonder meer in te zien dat de ook elders in deze jaarrekening voorkomende terminologie “inventaris en inrichting van de filialen” erop zou duiden dat het hier alleen zou gaan om een samengesteld begrip voor inventaris.

Daar wijst de terminologie niet op. Volgens Van Dale betekent inventaris: ergens aanwezige voorwerpen, goederen enz. kortom objecten, en betekent inrichting: het stofferen en meubileren alsmede interieur, dus bepaalde werkzaamheden en het resultaat ervan. Bij dit laatste gaat het dan meer om van de inventaris te onderscheiden materiële voorzieningen, verbouwingen en aanpassing die in de panden zijn aangebracht, zoals niet verwijderbare spoelkeukens, koelcellen, kaasstellingen, tegelwanden en tegelvloeren, plafonds etc., welke door natrekking uiteindelijk resulteren in aan de huurder toekomende vergoedingsrechten.

Koper behoorde uit een en ander dan ook redelijkerwijs te begrijpen dat de accountant wat betreft de waarderingsgrondslag een stelselwijziging had doorgevoerd ten aanzien van de inrichting van de filialen, dat wil zeggen van de materiële investeringen, die aanleiding gaven tot een huurdersbelang in verband met de shop-in-shop formule, ook al was dit opgenomen onder de materiële vaste activa.

Koper heeft overigens niet uiteengezet waarop het begrip “de inrichting van de filialen” anders zou duiden. Dat het alleen maar een verlenging van het begrip “inventaris” zou inhouden, ligt, zoals gezegd, terminologisch niet voor de hand.

De conclusie moet dan ook zijn dat verkopers in het bewijs van hun eerste alternatieve stelling zijn geslaagd, zodat de gestelde schending van een balansgarantie (voor een bedrag van € 452.419) niet is komen vast te staan.”

Bedrijfsovername. Schending balansgarantie? Winstprognose. Uitleg inventaris en inrichting in jaarrekening. Gemiste boekwinst en geleden boekverlies.

De Hoge Raad oordeelt als volgt.

De klachten komen kort gezegd erop neer dat het oordeel over de bewijsopdracht onbegrijpelijk is nu vaststond dat sprake was van schending van de balansgarantie, dat niet valt in te zien waarom de aard of inhoud van de overeenkomst zou meebrengen dat de koper geen beroep kan doen op de verstrekte balansgarantie als koper vóór de verkoop bekend was of behoorde te zijn met de onjuistheid van de gegarandeerde balans, dat het oordeel over de uitleg van de woorden ‘inventaris en inrichting’ in de toelichting op de jaarrekening 1999 onbegrijpelijk is en dat het oordeel dat verkopers hun stelling hebben bewezen dat in de jaarrekening 1999 de huurdersbelangen voor het eerst zijn geactiveerd omdat toen een stelselwijziging is doorgevoerd, niet (mede) de conclusie kan dragen dat koper wist of behoorde te weten dat ‘inventaris en inrichting’ mede (de actuele waarde van) het huurdersbelang omvatte, nu de stelselwijziging immers uitsluitend de maatstaf van de waardering betrof en niet de samenstelling van de post materiële vaste activa.

Het volgende wordt vooropgesteld. In tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de post huurdersbelangen – die naar het oordeel van het hof van zijn eindarrest de weerslag is van “materiële voorzieningen, verbouwingen en aanpassing die in panden zijn aangebracht, welke door natrekking uiteindelijk resulteren in aan de huurder toekomende vergoedingsrechten” – een immateriële balanspost is. Van dit oordeel is het hof in zijn eindarrest niet teruggekomen. Tegen dit oordeel is in cassatie niet opgekomen, zodat dit als uitgangspunt heeft te gelden.

Koper heeft in feitelijke instanties betoogd dat in de waarde van de post inventaris ten onrechte een bedrag voor huurdersbelangen is begrepen en dat zij op een bedrag voor huurdersbelangen niet bedacht behoefde te zijn op de grond dat de post huurdersbelangen een immateriële balanspost betreft en art. 2:384 lid 1 (oud) BW eraan in de weg stond deze immateriële post aldus te waarderen. Het hof heeft in zijn tussenarrest koper in dit betoog gevolgd en verkopers in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat uit de vóór de verkoop aan koper overhandigde accountantsverklaring bij de jaarrekening 1999 blijkt van de stelselwijziging met activering van de huurdersbelangen.

Uit de jaarrekening 1999, die verkopers hebben overgelegd, blijkt dat een stelselwijziging is doorgevoerd waarbij de inventaris en inrichting van de filialen met ingang van 31 december 1999 zijn gewaardeerd op actuele waarde. Tussen partijen staat vast dat koper de jaarrekening 1999 in het kader van de onderhandelingen ter inzage heeft gehad.

Het hof heeft in zijn tussenarrest overwogen dat de stelling van koper in de kern erop neerkomt dat zij niet heeft gekregen wat zij op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten.

In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat koper niet erop bedacht behoefde te zijn dat in de post inventaris tevens de actuele waarde van het huurdersbelang was opgenomen.

Uit de bewijsopdracht die het hof de verkopers vervolgens heeft gegeven, volgt dat het hof van oordeel was dat dit anders zou zijn als koper vóór de verkoop van de aandelen aan koper al op de hoogte was van een stelselwijziging met activering van de huurdersbelangen. In dat geval gaat immers niet langer op dat de koper niet erop bedacht behoefde te zijn dat in de post inventaris niet tevens de actuele waarde van het huurdersbelang was opgenomen, zelfs niet als sprake zou zijn van strijd met art. 2:384 lid 1 (oud) BW. Het hof heeft geoordeeld dat die omstandigheid ertoe leidt dat de gestelde schending van de balansgarantie op dit punt niet is komen vast te staan. Het hof heeft bij de uitleg van de balansgarantie en het oordeel over schending daarvan, klaarblijkelijk ook acht geslagen op de feiten en omstandigheden die bij partijen over en weer bekend waren vóór de verkoop van de aandelen en die mede van belang waren voor het antwoord op de vraag wat de koper op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. Dat is niet onbegrijpelijk. De onderdelen zijn op grond van het voorgaande tevergeefs voorgesteld.

Ook het onderdeel over de uitleg van de jaarrekening 1999, van het eindarrest, is tevergeefs voorgesteld.

Uit de jaarrekening 1999 blijkt dat een tweeledige aanduiding is gebruikt, te weten ‘inventaris en inrichting van de filialen’. Het hof heeft in zijn eindarrest geoordeeld dat met ‘inrichting’ in dit verband is gedoeld op van de inventaris te onderscheiden materiële voorzieningen, verbouwingen en aanpassing die in de winkelfilialen zijn aangebracht en die door natrekking resulteren in aan de huurder toekomende vergoedingsrechten. Het heeft daarvoor aansluiting gezocht bij de betekenis van ‘inventaris’ en ‘inrichting’ in het normale spraakgebruik en betekenis toegekend aan het feit dat koper niet heeft uiteengezet waarop het begrip ‘de inrichting van de filialen’ anders zou duiden, waarbij de uitleg dat het alleen zou gaan om een samengesteld begrip voor inventaris naar zijn oordeel terminologisch niet voor de hand ligt. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk.

Het hof heeft in zijn eindarrest voorts geoordeeld dat koper, bestuurd door een financieel directeur/registeraccountant, uit een en ander redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat (de accountant wat betreft de waarderingsgrondslag een stelselwijziging had doorgevoerd ten aanzien van de inrichting in de filialen, dat wil zeggen van de materiële investeringen die aanleiding gaven tot een huurdersbelang in verband met de shop-in-shop-formule, ook al was dit opgenomen onder de materiële vaste activa. Niet blijkt dat het hof heeft miskend dat de stelselwijziging uitsluitend de maatstaf van de waardering betrof en niet de samenstelling van de post materiële vaste activa. Het hof heeft uit het gebruik van de term ‘inrichting’ naast de term ‘inventaris’ in de toelichting op de stelselwijziging in de jaarrekening 1999 afgeleid dat duidelijk moet zijn geweest voor koper dat de stelselwijziging niet alleen betrekking had op de inventaris, maar ook op de inrichting van de filialen en dat die stelselwijziging dus mede betrekking had op huurdersbelangen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Ook dit onderdeel is dus tevergeefs voorgesteld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over de verkoop van een onderneming of bedrijf, over de overdracht van de activa of passiva van een onderneming, over een aandelentransactie of over garanties bij een bedrijfsovername, belt u dan gerust onze advocaat bedrijfsovername op 020-3980150.