Van onze advocaat bedrijfsovername. De Rechtbank Amsterdam heeft op 27 juni 2018 uitspraak gedaan over de uitleg van een letter of intent (LOI) bij het afbreken van onderhandelingen.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of N door het afbreken van de onderhandelingen onrechtmatig dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid jegens F heeft gehandeld en op die grond(en) gehouden is tot het vergoeden van haar schade.

Afgebroken onderhandelingen. Uitleg van een Letter of intent (LOI). Schadevergoeding?

De rechter oordeelt als volgt.

Als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkoming van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn.

Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij.

Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen (zie Hoge Raad 12 augustus 2005, HR:2005:AT7337). Dit is een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf.

De inhoud van de Letter of Intent (LOI) staat centraal bij het antwoord op de vraag of het N vrij stond om de onderhandelingen af te breken.

Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of het door N gedane beroep op het goedkeuringsvoorbehoud in de gegeven omstandigheden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

Daarvoor is allereerst van belang welke uitleg aan het goedkeuringsvoorbehoud moet worden gegeven.

F stelt zich op het standpunt dat de vereiste goedkeuring van het bestuur van N slecht kon zien op de tekstuele neerlegging van de transactie in de APA, terwijl de vereiste goedkeuring volgens N betrekking had op de gehele transactie als zodanig.

Uitleg goedkeuringsvoorbehoud

De vraag hoe het goedkeuringsvoorbehoud moet worden uitgelegd, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract.

Bij die uitleg komt het ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang (vgl. HR 20 februari 2004, NJ 2004, 34).

Voor een taalkundige/grammaticale uitleg bestaat eerder aanleiding indien het een zuiver commerciële transactie betreft tussen professionele partijen die worden bijgestaan door ter zake deskundige adviseurs (HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 en HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576).

Aangezien de LOI is gesloten tussen professionele partijen en is opgesteld door ter zake deskundige adviseurs van partijen, geldt dat bij de uitleg van het goedkeuringsvoorbehoud veel betekenis toekomt aan de formulering daarvan.

De vereiste goedkeuring betreft volgens D.1 van de LOI “The Proposed Transaction (including the APA)”. Gelet op de toevoeging “(including the APA)” moet het goedkeuringsvoorbehoud in redelijkheid zo worden uitgelegd dat de vereiste goedkeuring de gehele transactie als zodanig betreft, en niet alleen de tekstuele uitwerking daarvan. Aangezien het goedkeuringsvoorbehoud verder ongeclausuleerd is, stond het het bestuur van N dan ook in beginsel vrij om op grond van iedere haar moverende reden goedkeuring aan de transactie te onthouden.

Anders dan F betoogt, betekent dit dat zij, reeds gelet op het goedkeuringsvoorbehoud, er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de transactie doorgang zou vinden. F diende er rekening mee te houden dat er interne, niet voor haar kenbare, redenen konden zijn op grond waarvan het bestuur van N haar goedkeuring aan de transactie zou onthouden. Daarbij geldt dat het voor de hand ligt dat N bij haar beoordeling ook de bredere ondernemingsbelangen van N zou betrekken.

Vast staat dat het bestuur van N haar toestemming aan de voorgenomen transactie heeft onthouden.

N heeft uitvoerig uiteengezet dat de redenen hiervoor waren: (i) dat de financiële situatie van N in december 2016 sterk was verbeterd ten opzichte van de situatie ten tijde van het aangaan van de LOI, zodat er minder noodzaak was om liquiditeit te genereren, (ii) dat de resultaten van de hotels in december 2016 substantieel beter waren dan oorspronkelijk verwacht, zonder dat daartoe investeringen waren gedaan, (iii) dat de transactie zou resulteren in een verlies en (iv) dat de gewenste compensatie door een geplande verkoop van andere activa van N in Spanje niet doorging.

Ter comparitie heeft F verklaard dat zij niet betwist dat deze omstandigheden zich hebben voorgedaan. In het licht hiervan kan F niet worden gevolgd in haar stelling dat de verkoopprijs de enige reden was op grond waarvan het bestuur van N haar goedkeuring heeft onthouden. Om die reden is ook irrelevant of het bestuur van N bij de totstandkoming van de LOI heeft ingestemd met de tussen partijen overeengekomen verkoopprijs, hetgeen volgens N overigens niet het geval is.

Uit het voorgaande volgt dat het N vrij stond om de onderhandelingen van F af te breken en dat van schadeplichtigheid geen sprake is.

Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat partijen in de LOI expliciet onder F.1, in samenhang gelezen met D.1., zijn overeengekomen dat N, in het geval het bestuur van N haar goedkeuring zou onthouden, niet alleen gerechtigd zou zijn de onderhandelingen af te breken, maar in dat geval ook niet gehouden zou zijn om eventuele kosten van F aan haar te vergoeden.

Gelet op het voorgaande zal de vordering van F worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over het afbreken van onderhandelingen, over een letter of intent, over een bedrijfsovername of overdracht van een onderneming, belt u dan gerust onze advocaat bedrijfsovername op 020-3980150.