Van onze advocaat contractenrecht. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 30 april 2019 uitspraak gedaan over aanneming van werk, ingebrekestelling en verzuim.

Het gaat in deze zaak over de renovatie/verbouwing van een badkamer (hierna: de badkamer) en een toiletruimte in een recreatiewoning.

Geïntimeerde heeft in opdracht van appellant in maart en april 2016 in onderaanneming werkzaamheden verricht tot renovatie en verbouwing van de badkamer en toiletruimte.

Geïntimeerde heeft voor de door hem verrichte werkzaamheden op 21 juni 2016 een factuur van € 6.684,83 verzonden aan appellant, welke factuur appellant onbetaald heeft gelaten.

Volgens appellant zijn de werkzaamheden niet goed uitgevoerd en heeft geïntimeerde schade veroorzaakt.

De kosten voor herstel en vervanging bedragen volgens appellant € 5.747,25, te vermeerderen met de kosten van aanvullende werkzaamheden en de schade wegens kosten van rechtsbijstand.

Deze kosten dienen volgens appellant te worden verrekend met de factuur van geïntimeerde zodat de vordering van geïntimeerde dient te worden afgewezen.

Geïntimeerde heeft appellant gedagvaard en – kort gezegd – gevorderd om appellant te veroordelen tot betaling van zijn factuur, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en de proceskosten (waaronder de nakosten).

Geïntimeerde heeft de vordering betwist en een beroep gedaan op verrekening met de kosten van herstel en de door [geïntimeerde] veroorzaakte schade.

De kantonrechter heeft het beroep op verrekening van appellant afgewezen en heeft daartoe (in rechtsoverweging 4.3.) overwogen:

Het beroep op verrekening slaagt niet. Na aanvankelijke voltooiing van de werkzaamheden is geïntimeerde in gebreke gesteld. De werkzaamheden die zij daarna uitvoerde, waren gericht op herstel van de gesignaleerde gebreken conform gemaakte afspraken. Namens appellant werd op 18 januari 2017 de mededeling gedaan dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert (artikel 6:87 BW). Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, werd met die mededeling de verbintenis van geïntimeerde omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding wanneer zij in verzuim was. Dat verzuim is niet ingetreden met de ingebrekestelling na aanvankelijke voltooiing van de werkzaamheden. Niet blijkt dat het verzuim in de gestelde onbehoorlijke uitvoering van herstelwerkzaamheden op andere wijze is ingetreden of dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] zich beroept op het ontbreken van een ingebrekestelling. Daardoor heeft de mededeling van 18 januari 2017 niet het beoogde rechtsgevolg.

Na beoordeling van enkele betwiste posten heeft de kantonrechter vervolgens appellant veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag van € 6.655,79, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2016. Ook is appellant veroordeeld in de proceskosten.

Tegen dit vonnis is appellant in hoger beroep gekomen met twee grieven welke grieven beide zien op de hiervoor geciteerde rechtsoverweging.

Met de eerste grief betwist appellant – kort samengevat – dat een nieuwe ingebrekestelling vereist is ten aanzien van de ondeugdelijke herstelwerkzaamheden om verzuim te doen ingaan.

De tweede grief ziet – kort gezegd – op de afwijzing van het beroep op verrekening door appellant en in de toelichting bij deze grief betoogt appellant waarom geïntimeerde aansprakelijk is voor de door appellant geleden schade.

Aanneming van werk. Ingebrekestelling en verzuim. Oplevering. Verrekening?

De rechter oordeelt als volgt.

Voorop staat dat artikel 6:82 lid 1 BW bepaalt dat verzuim intreedt wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft.

Een ingebrekestelling heeft de functie om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus nader te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is.

Bij brief van 2 mei 2016 heeft appellant aan geïntimeerde, voor zover relevant, geschreven (spel- en taalfouten zijn conform origineel):

hier verdere foto’s van de tegelwerken. De tegels aan de muren en op de vloer zijn heel slecht verzet. Ze liggen deels scheef en zijn krom gesneden.

De pvc lijsten zijn deels kapot. De voegen zijn verschillend breed en heel slecht gesneden. De inloopdouche is niet afgedicht (zie ook mij e-mail vanaf 30-04-2016. De voegen in de inloopdouche zijn ook niet waterdicht uitgevoerd. De nieuwe ramen zijn met voegmortel verontreinigd.

Buiten moeten de vloertegels ook nog verzet worden.

De werkplaats was niets opgeruimd. Wij hebben de hele afval van de tegelzetter verwijderen moeten (2 medewerker 2 uurtjes).

Ik verzoek u het tegelwerk conform de maatregelen klaar de maken. De inloopdouche moet afgedicht worden, scheef en slecht verzette pvc- lijsten, wand- en vloertegels moeten vernieuwd worden. De voegen moeten deels vernieuwd worden. De ramen moeten gezuiverd worden.

Hier vandaan zetten wij uw een termijn tot / met 20-05-2016

De badkamer kan niet in gebruik genomen worden.

De eigenaar is vanaf 05-05-2016 tot 08-05-2016 in het huis.

Het huis kan zo niet verhuurd worden.

Vanaf 23-05-2016 is het huis aan vakantiegasten verhuurd.

Kan het huis niet verhuurd worden, ontstaan schaden vanaf 700 € tot 1.200 € per week.

Deze schaden wordt de eigenaar van hun geldend maken.

Deze brief is een ingebrekestelling als is bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW.

Immers, in deze brief is opgenomen welke werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd en is geïntimeerde een termijn gesteld tot en met 20 mei 2016 om alsnog deugdelijk na te komen.

De kantonrechter kan niet worden gevolgd in zijn oordeel dat ten aanzien van de herstelwerkzaamheden opnieuw een ingebrekestelling vereist is om verzuim te doen ingaan.

In zoverre slaagt de eerste grief en kan het vonnis waarvan beroep geen stand houden.

De devolutieve werking van het hoger beroep brengt met zich dat indien een grief of een deel daarvan slaagt de in eerste aanleg gevoerde verweren alsnog moeten worden beoordeeld. Appellant heeft zich steeds op het standpunt gesteld de factuur van geïntimeerde niet te hoeven betalen. Het hof overweegt daarover als volgt.

De tussen partijen gesloten overeenkomst betreft een overeenkomst tot aanneming van werk.

Op die overeenkomst zijn de artikelen 7:750 e.v. BW van toepassing.

Artikel 7:750 lid 1 BW bepaalt dat aanneming van werk de overeenkomst betreft waarbij de ene partij, de aannemer (in dit geval geïntimeerde) zich verplicht jegens de andere partij, de opdrachtgever (in dit geval appellant) om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld.

Artikel 7:758 BW bepaalt dat indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt, dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, de opdrachtgever geacht wordt het werk stilzwijgend te hebben aanvaard.

Uit het bepaalde in artikel 7:758 BW vloeit voort dat de aannemer die van oordeel is dat het werk is voltooid, aan zijn opdrachtgever te kennen zal moeten geven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd.

Vervolgens is het aan de opdrachtgever om het werk binnen een redelijke termijn te keuren en dit (al dan niet onder voorbehoud) te aanvaarden dan wel onder aanwijzing van de gebreken te weigeren.

Indien de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn na deze mededeling keurt, wordt hij geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard.

De wet geeft geen nadere voorschriften ten aanzien van de vraag wat een redelijke termijn is waarbinnen de opdrachtgever het werk moet aanvaarden dan wel weigeren.

Een en ander zal afhangen van de aard van het werk, het gebruik en de overige omstandigheden van het geval.

De termijn kan kort zijn of zelfs ontbreken voor werken waarvan de kwaliteit op het ogenblik van de beoogde aanvaarding gemakkelijk is te controleren.

Na de ingebrekestelling op 2 mei 2016 heeft geïntimeerde op 23 mei 2016 gemaild aan appellant :

“Naar aanleiding van uw brief even het volgende,

Ik ben in de week van 17 mei poolshoogte wezen nemen en ben met mr [appellant] overeengekomen dat ik op 24 mei zal aanvangen wat betreft herstelwerkzaamheden dit uit coulance naar de klant, wel is bepaald dat mr [appellant] zal zorgen voor materialen [tegels, lijsten] en dat hij met zijn klant overeenkomt om geen juridische stappen meer te nemen tot het karwei af is en goed is opgeleverd daarbij is de tijd die het duurt vastgesteld op 4 weken, de afspraak is dat er opnieuw getegeld wordt waar nodig op de bestaande tegels, dat de vloer uitgebroken wordt en opnieuw geplaatst. de kosten voor het buitenwerk [riool] wordt gezien als meerwerk en zodanig ook overeengekomen, er is ook afgesproken dat er geen medewerkers van [appellant] zullen aanwezig zijn tijdens deze werkzaamheden zodat er geen tegels loskomen door er vroegtijdig op te lopen.

nadat alles is gedaan zal de offerte zoals afgesproken volledig worden betaald door [appellant] zonder aftrek van materialen die [appellant] heeft gehaald, omdat hij eveneens schuldig is aan bv vroegtijdig lopen en werken aan een badkamer die moet drogen volgens normen.

Dus om allerlei ingewikkelde procedures te voorkomen doen we allebei water bij de wijn en zorgen voor een oplossing waarbij [appellant] , de klant en [geïntimeerde] tevreden mee is.”

Uit deze brief blijkt dat geïntimeerde naar aanleiding van de ingebrekestelling door appellant over is gegaan tot herstelwerkzaamheden.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] op 21 juni 2016 zijn factuur gezonden aan appellant waarop appellant bij brief van 8 juli 2016 heeft gereageerd met de mededeling dat die factuur niet wordt geaccepteerd omdat de werkzaamheden nog altijd niet goed zijn uitgevoerd.

Daarna heeft de gemachtigde van geïntimeerde bij brief van 21 september 2016 aan appellant bericht dat de herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd en appellant gesommeerd tot betaling van het openstaande bedrag over te gaan.

Uit deze gang van zaken blijkt dat partijen van mening verschillen over de vraag of de werkzaamheden na herstel correct zijn uitgevoerd.

Geïntimeerde stelt van wel en appellant stelt van niet.

Door partijen is echter niets gesteld over de afronding van de herstelwerkzaamheden en of vervolgens het werk samen is geïnspecteerd in het kader van een oplevering van het werk.

Appellant stelt zonder meer dat het werk ook na herstel niet deugdelijk is uitgevoerd en doet een beroep op verrekening met een vordering op schadevergoeding.

Voor beantwoording van de vraag of het beroep op verrekening al dan niet slaagt is vereist om na te gaan of de (herstel)werkzaamheden al dan niet deugdelijk zijn verricht.

Daarbij komt, zoals hiervoor is overwogen, bijzonder gewicht toe aan de wijze waarop aan de verplichting tot oplevering van het werk uitvoering is gegeven.

Het hof heeft op dit punt behoefte aan nadere inlichtingen van partijen en zal daartoe een zitting bepalen, waarbij tevens zal worden bezien of partijen tot een regeling kunnen komen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het contractenrecht, over wanprestatie (toerekenbare tekortkoming, over een ingebrekestelling of over verzuim, over aanneming van werk of een overeenkomst uit opdracht, belt u dan gerust onze advocaat contractenrecht op 020-3980150.