Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 23 februari 2021 uitspraak gedaan over de aansprakelijkheid van bestuurders voor het onbetaald blijven van schulden van de vennootschap.
Appellant en C hebben een vordering op de bestuurder B (van de onderneming P) zoals die is vastgesteld in het vonnis van 13 oktober 2015, maar B is niet tot betaling in staat.
De vennootschap bestaat weliswaar nog, maar ontplooit geen activiteiten meer en biedt geen verhaal.
Appellant vordert van de vennootschap P op grond van bestuurdersaansprakelijkheid vergoeding van de schade die hij hierdoor lijdt.
In de kern is het verwijt dat appellant maakt dat P heeft bewerkstelligd dat B niet kon betalen en er geen verhaal meer mogelijk was.
De omvang van de schade wordt door appellant gesteld op het door de rechtbank toegewezen bedrag, waarvan appellant de helft claimt.
Bestuurdersaansprakelijkheid. Hoofdelijke aansprakelijkheid. Schuldeisers. Onbetaald blijven van schulden van de vennootschap. Onmogelijkheid van verhaal.
De rechter oordeelt als volgt.
Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade.
Onder bijzondere omstandigheden kan echter, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap.
Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap worden dus hogere eisen gesteld dan in het algemeen het geval is.
Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.
Ten aanzien van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon geldt het volgende.
Art. 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.
Artikel 2:11 BW is van toepassing in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet.
Daaronder valt ook de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op art. 6:162 BW.
Deze aansprakelijkheid rust dan tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is.
Dit betekent dat voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder niet de aanvullende eis geldt dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Het ligt op de weg van appellant als de benadeelde crediteur van B om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de betreffende bestuurder persoonlijk jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld.
P en Q zijn geen (indirect) bestuurders van B, maar zustervennootschappen.
De aansprakelijkstelling door appellant van die vennootschappen zal daarom afzonderlijk worden behandeld.
Ook ten aanzien daarvan geldt dat de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden die als onrechtmatig handelen van deze vennootschappen kunnen worden aangemerkt op appellant rust.
Door appellant worden de hierna genoemde verwijten aan P gemaakt.
Bij de beoordeling van die verwijten kan als, niet in geschil zijnde, uitgangspunt worden genomen dat B jegens appellant te kort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen op grond van de huurovereenkomst en geen verhaal biedt om aan het vonnis van de rechtbank van 13 oktober 2015 te voldoen. Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Tegen de uitspraak van het hof is er beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). Klik hier voor de uitspraak van de Hoge Raad van 11 november 2022.
Heeft u een vraag aan onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders, over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, of over een bedrijfsovername, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.
Wilt u meer weten over bestuurdersaansprakelijkheid in het vennootschapsrecht of over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.