De Advocaat-Generaal bij het Parket bij de Hoge Raad heeft op 20 november 2020 de verjaring en de verjaringstermijnen in het burgerlijk recht besproken, in het bijzonder de verjaringstermijn met betrekking tot een vordering tot schadevergoeding.
Contractenrecht. Procesrecht. Verjaring in het burgerlijk recht. Verjaringstermijn van een vordering tot schadevergoeding. Beperkende werking redelijkheid en billijkheid.
De A-G concludeert als volgt.
Volgens art. 3:306 BW verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaren indien de wet niet anders bepaalt.
De wet bepaalt voor allerlei categorieën van rechtsvorderingen inderdaad wat anders, onder meer voor rechtsvorderingen tot nakoming van verbintenissen uit overeenkomst (art. 3:307 BW), voor rechtsvorderingen tot betaling van periodieke vorderingen (art. 3:308 BW), voor rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling (art. 3:309 BW), voor rechtsvorderingen tot vergoeding van schade (art. 3:310 BW) en voor rechtsvorderingen tot ontbinding op grond van een tekortkoming of tot herstel van een tekortkoming (art. 3:311 BW).
Dit alles nog afgezien van bijzondere verjaringstermijnen buiten titel 11 van Boek 3 BW.
Aldus is art. 3:306 BW vooral in theorie de hoofdregel; de uitzonderingen zijn aanzienlijk talrijker.
De rechtsvordering tot afgifte van een legaat valt bij gebreke van een bijzondere verjaringstermijn onder art. 3:306 BW.
Een bijzondere verjaringstermijn geldt slechts met betrekking tot de rechtsvordering tot uitkering van de vruchten van het gelegateerde (art. 4:124 BW).
Hoewel er naast de zogenaamde hoofdregel van art. 3:306 BW vele bijzondere verjaringstermijnen bestaan, bestaat er tussen de termijn van art. 3:306 BW en andere, bijzondere verjaringstermijnen wel een duidelijk systematisch verband.
Veelal geldt een korte verjaringstermijn van vijf jaar, die zijn beginpunt heeft in subjectieve bekendheid met de vordering en de persoon van de schuldenaar, en daarnaast een lange termijn van twintig jaar, die zijn beginpunt heeft in het objectieve gegeven van het ontstaan respectievelijk de opeisbaarheid van de vordering.
Vergelijk art. 3:309, 3:310 lid 1 en 3:311 BW.
Welnu, voor de restcategorie waarop art. 3:306 BW van toepassing is, ontbreekt een korte verjaringstermijn, maar bestaat wel een verjaringstermijn van twintig jaar.
Die termijn vangt in een geval als hier aan de orde (er is sprake van een rechtsvordering tot nakoming van een verplichting om te geven), daags na de dag waarop voor het eerst onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd aan (art. 3:313 BW).
Op grond van het hiervoor bedoelde systematische verband ligt het voor de hand om aan te nemen dat wat bijvoorbeeld met betrekking tot de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW geldt – met betrekking tot die termijn bestaat er meer rechtspraak – veelal ook voor de verjaringstermijn van art. 3:306 BW zal gelden.
Aan de objectieve verjaringstermijnen van meest twintig jaar ligt vooral de waarde van de rechtszekerheid ten grondslag, anders dan de kortere, subjectieve verjaringstermijnen, die mede (sterk) in de sleutel van de billijkheid staan.
Smeehuijzen onderscheidt met betrekking tot die rechtszekerheid mijns inziens terecht twee aspecten:
(1) door het verloren gaan van bewijsmateriaal is het bezwaarlijk om over meer dan twintig jaar oude feiten in rechte debat te moeten voeren;
(2) het honoreren van een aanspraak gegrond op feiten van meerdere decennia oud zou een sterke inbreuk zijn op de individuele rechtszekerheid van de wederpartij, die met een dergelijke vordering doorgaans in het geheel geen rekening meer zal hebben gehouden.
In verband met beide is een eventuele relativering van de twintigjarige verjaringstermijn op grond van overwegingen van billijkheid op voorhand bijzonder problematisch.
Zoals de Hoge Raad in het bekende mesothelioom-arrest met betrekking tot de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW heeft overwogen:
‘Deze termijn heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, dat wil zeggen dat, hoezeer dit ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden, het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij – waarbij in het bijzonder valt te denken aan de moeilijkheden die bij het loslaten van deze termijn voor deze kunnen ontstaan met betrekking tot het vaststellen van de feiten en het beoordelen van de gemaakte verwijten – meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden (vgl. Hoge Raad, 3 november 1995, NJ 1998, 380).’
Zoals bekend, gaat deze overweging verder met een beperkte opening voor de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid.
Voordat ik dat vervolg bespreek, wil ik nog iets toevoegen.
Niet alleen maakt het ervaringsgegeven dat door verloop van de tijd bewijsmateriaal verloren gaat, deel uit van de ratio van de objectieve verjaringstermijn – het werkt ook nog anders.
Het bestaan van de termijn van twintig jaar bevordert het verlies van bewijsmateriaal: omdat men veilig meent te zijn voor aanspraken, wordt bewijsmateriaal na afloop van die termijn veelal actief vernietigd.
Dit zal niet alleen voor de wederpartij zelf kunnen gelden, maar ook voor diens adviseurs of, zoals in het onderhavige geval, een notaris die met de kwestie bemoeienis heeft gehad.
Ook zulke adviseurs en in ieder geval het notariaat stemmen de termijn gedurende welke (documenten uit) dossiers worden bewaard, nauwkeurig op de toepasselijke objectieve verjaringstermijnen af.
Dit betekent dat met nuancering van objectieve verjaringstermijnen, indien deze ertoe leidt dat verjaring langer uitblijft dan eerder verwacht, in feite een nieuwe, ernstige inbreuk op de rechtszekerheid wordt gemaakt.
Verder merk ik nog op dat bij de rechtszekerheid die verjaringstermijnen beoogt te dienen, slecht past om in individuele gevallen te nuanceren op grond van een inschatting van de kans dat daadwerkelijk relevant bewijsmateriaal verloren is gegaan en/of van een waardering van de ernst van de inbreuk op de individuele rechtszekerheid in concreto.
Een andere opvatting leidt ertoe dat tóch een inhoudelijk debat nodig wordt over decennia oude feiten.
Ik meen dat dit alles kan worden begrepen onder de door uw Raad bedoelde moeilijkheden zoals die voor de wederpartij bij het loslaten van een objectieve verjaringstermijn kunnen ontstaan (de zojuist aangehaalde overweging uit het mesothelioom-arrest, tussen de aandachtstreepjes).
Alleszins terecht worden die moeilijkheden niet alleen in verband gebracht met de waarde van rechtszekerheid, maar ook met die van billijkheid, nu ten opzichte van de wederpartij, en ook niet als tegenpool van de rechtszekerheid, maar juist gelijkgestemd.
Ik kom nu toe aan het vervolg van het mesothelioom-arrest, waarin tóch de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid toepassing vindt.
Ik citeer wat op het voorgaande citaat direct volgt:
‘Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van art. 6:2 lid 2 buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in die bepaling bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken – hier: de blootstelling aan asbest – inderdaad tot schade – hier: de ziekte mesothelioom – zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken.
Bij het voorgaande is mede van betekenis dat blijkens de parlementaire geschiedenis van de geldende verjaringsregeling als karakteristiek van de bevrijdende verjaring is genoemd het tenietgaan van een rechtsvordering, en dat niet blijkt dat de wetgever zich ook het geval voor ogen heeft gesteld waarin de schade pas na het verstrijken van de verjaringstermijn is ontstaan, zodat de benadeelde in het geheel geen vordering tot schadevergoeding zou kunnen instellen: vóór het verstrijken van de termijn niet, omdat er toen nog geen schade was, en na het verstrijken van de termijn niet omdat toen de rechtsvordering verjaard was. Dit geval zou hierop neerkomen dat de verjaring het ontstaan van een rechtsvordering verhindert, en dat het daarna voorvallen van de schade niet meer dan een natuurlijke verbintenis in het leven roept.’
Uit dit citaat is duidelijk hoezeer de ruimte voor toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid op de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW door uw Raad beperkt bedoeld is.
Die ruimte ziet op schade die naar haar aard verborgen is gebleven tot en met het moment dat de verjaring intrad, met als gevolg dat de verjaring in feite het ontstaan van de rechtsvordering verhindert.
Zoals bekend volgen er in het mesothelioom-arrest nog zeven gezichtspunten die bij de beoordeling van het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid door de rechter die over de feiten oordeelt bovendien moeten worden betrokken.
Dat de schade naar haar aard verborgen is gebleven tot en met het moment dat de verjaring intrad, is op zichzelf dus niet voldoende.
Diverse van die gezichtspunten hebben klaarblijkelijk de strekking om de wederpartij te beschermen tegen een voor haar al te bezwaarlijke toepassing van de beperkende werking.
Naar aanleiding van het mesothelioom-arrest ligt het voor de hand om aan te nemen dat de ruimte voor een toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid op andere objectieve verjaringstermijnen dan art. 3:310 lid 1 BW, op vergelijkbare wijze beperkt is.
Gelet op de belangen die deze termijnen beogen te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal van onaanvaardbaarheid als in art. 6:2 lid 2 BW bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn.
Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn indien de feiten waarop het ontstaan van de desbetreffende aanspraak berust, naar hun aard verborgen zijn gebleven tot en met het moment dat de verjaring intrad, met als gevolg dat de verjaring in feite het ontstaan van de rechtsvordering verhindert.
Ook in dat geval dient echter mede op de overige omstandigheden te worden gelet, en dient de rechter zich de vraag te stellen of het terzijde stellen van de verjaringstermijn voor de wederpartij niet te zeer bezwaarlijk is.
Het mesothelioom-arrest is inmiddels twintig jaar oud. Is er mogelijk sprake van een ontwikkeling in de rechtspraak die het relevante bereik van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid ook met betrekking tot de lange, objectieve verjaringstermijnen wezenlijk heeft vergroot?
Het enige dat in die richting gaat is het arrest van het gerechtshof Den Haag.
Die zaak betreft echter een zeer uitzonderlijk geval, zoals het hof ook benadrukt, namelijk de aansprakelijkheid van de Staat voor standrechtelijke executies in voormalig Nederlands-Indië.
Het betreft overigens niet een twintigjarige verjaringstermijn, maar een voorheen geldende bijzondere vijfjarige verjaringstermijn van objectieve aard, namelijk voor vorderingen tot voldoening van een geldschuld door de Staat.
Ik voeg nog twee nuances toe.
In de eerste plaats wijs ik op het bestaan van verlengingsgronden.
Deze verlengingsgronden leiden ook met betrekking tot objectieve verjaringstermijnen ertoe dat de bijl van de verjaring niet steeds valt.
De opsomming van verlengingsgronden is echter limitatief bedoeld.
Recent heeft uw Raad dit ietwat gerelativeerd, door een buitenwettelijke verlengingsgrond te erkennen in een geval dat past in het stelsel van de wet en aansluit bij de in de wet geregelde gevallen.
Hoezeer diverse verlengingsgronden ook met overwegingen van billijkheid in verband kunnen worden gebracht, aan het bestaan van die gronden valt mijns inziens geen argument te ontlenen voor een ruimere toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid dan hiervoor bedoeld.
In verband met het hiervoor bedoelde wezenlijke belang van rechtszekerheid zoals dat door de objectieve verjaringstermijnen wordt gediend, is essentieel dat verlengingsgronden rechtstreeks uit de wet voortvloeien en dus voor de schuldenaar vooraf kenbaar zijn.
Een toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid naar aanleiding van de omstandigheden van het geval, is naar zijn aard niet vooraf kenbaar.
In de tweede plaats nog een korte opmerking over de verdeling van de bewijslast.
Een beroep op de beperkende werking, voor zover volgens het voorgaande al mogelijk, is een bevrijdend verweer, zodat volgens de hoofdregel van art. 150 Rv de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de voor dat beroep relevante feiten op de schuldeiser rusten.
Een uitzondering op de bewijslastverdeling volgens de hoofdregel is niet onmogelijk, maar toepassing van die uitzondering kan slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden geschieden.
Ik meen dat het evident is dat het oordeel van de rechter die de bewijslast in de context van een objectieve verjaringstermijn omkeert – ondanks de hiervoor besproken rechtszekerheidsargumenten tégen nuancering van zo’n termijn – daarvoor uitzonderlijke, klemmende redenen dient op te geven die die omkering kunnen rechtvaardigen.
Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat contractenrecht over de verjaring in het burgerlijk recht, over het verbintenissenrecht, over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders, over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, of over een bedrijfsovername, belt u dan gerust onze advocaat contractenrecht op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het contractenrecht of het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.