Van onze advocaat ondernemingsrecht. Op 12 januari 2016 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid bij garantstelling van betaling in een vaststellingsovereenkomst.

Het hof stelde daarbij het volgende voorop. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 6 oktober 1989, HR:1989:AB952, NJ 1990, 286) inzake Beklamel met daarna een lange reeks arresten waaronder laatstelijk onder meer HR 5 september 2014, HR:2014:2627, NJ 2015, 22) geldt het volgende. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade.

Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat de vennootschap niet aan haarverplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Het doen van een betalingstoezegging namens de vennootschap en het vervolgens niet nakomen daarvan, levert niet zonder meer een verwijtbaar handelen van de bestuurder van die vennootschap op. Het enkele feit dat de bestuurder in een vaststellingsovereenkomst zich garant heeft gesteld voor betaling van € 2.000.000 en heeft toegezegd dat bedrag te zullen betalen maar daarmee uiteindelijk nalatig is gebleven, kan daarom zonder bijkomende omstandigheden, niet als een persoonlijk ernstig verwijt aan de bestuurder worden aangemerkt.

Aan de bestuurder van een rechtspersoon komt de vrijheid toe om bij het doen van betalingen aan schuldeisers (en het doen van toezeggingen tot betaling) naar eigen inzicht afwegingen te maken binnen de kaders van goed ondernemerschap. Het enkele feit dat de bestuurder met de opbrengst van de aandelen verplichtingen jegens derden en niet jegens klager heeft voldaan is onvoldoende om tot aansprakelijkheid van bestuurder te concluderen.

Indien U vragen heeft over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht of over een vaststellingsovereenkomst  in het contractenrecht belt u dan onze advocaat ondernemingsrecht op 020-3980150 of stelt u hier een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht.