De Rechtbank Rotterdam heeft op 26 maart 2020 uitspraak gedaan over een Vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid tegen vader en zoon als bestuurders. De zoon was enkel op papier bestuurder en de vader was de feitelijk leidinggevende. Wie was aansprakelijk?

Eiser vermeldt in het kader van de grondslag van haar vordering de artikelen 2:9 en 2:248 BW.

Beide artikelen zijn echter niet rechtstreeks op deze situatie van toepassing.

Artikel 2:9 BW ziet op de aansprakelijkheid van een bestuurder jegens de rechtspersoon, terwijl artikel 2:248 BW ziet op de aansprakelijkheid jegens de boedel ingeval van faillissement van de rechtspersoon.

De kantonrechter gaat ervan uit dat eiser heeft bedoeld zich op een door gedaagden jegens haar gepleegde onrechtmatige daad te beroepen en dat zij de artikelen 2:9 en 2:248 BW gebruikt ter onderbouwing daarvan.

Vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid tegen vader en zoon als bestuurders. Zoon was enkel op papier bestuurder. Vader was de feitelijk leidinggevende. Wie is aansprakelijk?

De rechter oordeelt als volgt.

Persoonlijk ernstig verwijt

Vooropgesteld kan worden dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis het uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade.

In bijzondere omstandigheden is evenwel ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap.

Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is.

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

Daarbij wordt het volgende door de Hoge Raad gegeven kader als uitgangspunt genomen (zie HR 8 december 2006, NJ 2006/659).

Ter zake van de benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering, zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook grond kunnen zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (1) namens de vennootschap heeft gehandeld of (2) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.

In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Voor de onder (1) bedoelde gevallen geldt de maatstaf dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.

In de onder (2) bedoelde gevallen kan de bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

Onbehoorlijke taakvervulling

Ook heeft eiser nog een beroep gedaan op artikel 2:248 BW.

Uitgangspunt voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onbehoorlijke taakvervulling (artikel 2:248 BW) is dat er sprake moet zijn van kennelijke onbehoorlijke taakvervulling van de bestuurstaak en dat er een causaal verband moet bestaan tussen de onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur wordt als maatstaf genomen of geen redelijk denkend bestuurder, onder dezelfde omstandigheden, op dezelfde wijze gehandeld zou hebben (HR 8 juni 2001, NJ 2001/454).

Toepassing op de zoon

Wat de zoon betreft, is aan bovenstaande criteria voor bestuurdersaansprakelijkheid in dit geval niet voldaan.

De zoon heeft aannemelijk gemaakt dat hij slechts op papier bestuurder van de vennootschap was en dat de vader als feitelijk leidinggevende optrad.

Dit vindt steun in het vermelde uittreksel van de Kamer van Koophandel, alsmede in de niet-weersproken stelling van de zoon dat hij bezig was met respectievelijk zijn schoolopleiding, zijn werk bij Albert Heijn en zijn opleiding bij de politie.

Voorts heeft de zoon betwist dat hij gelden aan de vennootschap heeft onttrokken: dat heeft volgens hem de vader gedaan met de bankpas.

Uit de vermelde grootboekrekening ‘0503 Rekening Courant Directeur’ over het boekjaar 2018 vloeit het tegendeel niet voort.

Met ‘directeur’ kan in deze situatie ook op de vader als feitelijk leidinggevende worden gedoeld.

Hetgeen – volgens eiser – door de vader aan zijn andere zoon is betaald en door de vader in 2019 aan de vennootschap is onttrokken, kan in ieder geval niet ten laste van de zoon worden gebracht (ook in de ogen van eiser zelf).

Dat de zoon onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser kan daarom niet worden vastgesteld.

Van een onrechtmatige daad van de zoon jegens eiser is aldus geen sprake.

De vordering van eiser op de zoon wordt afgewezen.

Toepassing op de vader

Aannemelijk is dat de vader vanwege een eerder faillissement de zoon heeft gebruikt als formeel aandeelhouder en bestuurder van het bedrijf, alsmede dat de vader feitelijk leidinggever was van en de zeggenschap had over het bedrijf.

Aannemelijk is voorts dat de vader in 2018 € 203.089,09 en in het eerste kwartaal van 2019 € 11.758,86 aan de vennootschap heeft onttrokken voor privégebruik, terwijl eiser voor een substantieel bedrag onbetaald bleef en terwijl het bedrijf met eiser een betalingsregeling had getroffen.

Dit handelen van de vader levert onbehoorlijk bestuur op dat onrechtmatig is.

De norm dat een bestuurder zich niet mag schuldig maken aan onbehoorlijke bestuur strekt ook tot bescherming van een crediteur als eiser.

Aan het relativiteitsvereiste is daarom voldaan.

Er zijn geen feiten of omstandigheden bekend die maken dat de het onbehoorlijk bestuur niet aan de vader kan worden toegerekend.

Uit het faillissementsverslag blijkt niet dat de curator stappen heeft gezet in de richting van de vader vanwege een vordering uit hoofde van de rekening-courant verhouding en/of vanwege een vordering uit hoofde van onbehoorlijk bestuur.

Zo dat al wel is gebeurd of alsnog gaat gebeuren, is niet gesteld of gebleken dat de vordering van eiser op het bedrijf alsnog zal worden voldaan.

Daarmee staat vast dat eiser schade heeft geleden ten belope van de door haar gevorderde hoofdsom.

Onder die omstandigheden is sprake van onbehoorlijk bestuur zijdens de vader.

Zijn handelen levert een onrechtmatige daad op jegens eiser.

De vader dient aan eiser een bedrag van € 9.053,22 te voldoen.

De wettelijke rente op de voet van artikel 6:119 BW is verschuldigd vanaf 2 januari 2019 over een bedrag van € 8.535,99 en vanaf 10 mei 2019 over een bedrag van € 517,23.

Omdat beide bedragen een schadevergoeding betreffen, is artikel 6:119a BW niet van toepassing.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat ondernemingsrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.