Van onze advocaat aandeelhouder. De Rechtbank Gelderland heeft op 31 augustus 2017 uitspraak gedaan over de uitstoting van een aandeelhouder, over de schorsing van een bestuurder en over de schorsing van het stemrecht van een aandeelhouder.

Gedwongen overdracht van aandelen

De partijen hebben over en weer gevorderd de wederpartij tot overdracht van aandelen te veroordelen. Toewijzing van deze vorderingen is niet aan de orde.

Voor de uitstoting van een aandeelhouder vanwege misdraging, een verstrekkende maatregel die slechts in zeer bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd is, kent de wet een bijzondere procedure, neergelegd in art. 2:336 e.v. BW. Uit lid 3 van deze bepaling volgt dat deze procedure in beginsel voor de rechtbank moet worden gevoerd. Voor behandeling in kortgeding kan aanleiding bestaan, maar niet in dit geval. Niet aannemelijk is geworden dat de situatie in de onderneming V op dit moment zo nijpend is dat het aandeelhouderschap van J of D acuut tot een einde dient te komen.

Deze situatie is weliswaar gespannen, getuige de overgelegde e-mailberichten en verklaringen van werknemers, maar direct gevaar voor het voortbestaan van de in deze vennootschappen gedreven ondernemingen en door hen geboden werkgelegenheid is thans niet te duchten. Ondanks de gespannen situatie zijn er tot op heden geen aanwijzingen dat de bedrijfsvoering naar buiten toe daadwerkelijk in wezenlijke zin verstoord is geraakt. Van een prangende impasse die niet anders dan door onmiddellijke uitstoting kan worden doorbroken is evenmin sprake. Niet is bovendien gebleken dat de door de wet voorgeschreven bodemprocedure, die met meer procedurele waarborgen is omgeven, niet kan worden afgewacht.

 Partijen zijn de (middellijk) aandeelhouders en bestuurders van V. Zij dienen deze vennootschappen gezamenlijk te vertegenwoordigen, voor zover zij niet zijn gevolmachtigd zelfstandig te handelen. Anders dan verweerder kennelijk meent, maakt de omstandigheid dat hij feitelijk leiding geeft aan de winkel en eiser aan Projecten, dit niet anders. Het gegeven dat met de winkel wellicht meer winst wordt gegenereerd en de administratie minder discussie oplevert, maakt daarbij ook geen verschil. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat deze beide onderdelen verschillend winstpotentieel en verschillende administraties en beheer kennen waardoor niet is uit te sluiten dat in Projecten minder winst te genereren is, terwijl gevoeglijk kan worden aangenomen dat de administratie en het beheer van Projecten wezenlijk ingewikkeldere vragen oproept dan die van de winkel. Uitganspunt is dan ook dat de beide ondernemingen in gezamenlijkheid door verweerder en eiser moeten worden geleid.

In weerwil van deze verplichting hebben D en [verweerder, nadat partijen in onmin waren geraakt, eigenmachtig en tegen de wil van eiser en J aan een nieuwe arbeidsovereenkomst gebonden en aan ingrijpende wijzigingen van een bestaande arbeidsovereenkomst. De financiële consequenties hiervan overschrijden ruimschoots de aan D en verweerder verleende volmacht. Dit laatste geldt ook voor de aflossing op de geldlening van de ouders van verweerder aan Projecten, waartegen eiser zich heeft verzet. In geschil is of deze aflossing onverplicht is geschiedt, of vanwege het des verzocht niet verstrekken van zekerheid afdwingbaar was. Dit laat echter onverlet dat D en verweerder ondanks het verzet van J en eiser feitelijk tot de betaling is overgegaan, aldus haar eigen zin doordrijvend.

Ook is er de betaling van een hoger bedrag dan € 5.000,00 aan de echtgenote van verweerder voor werkzaamheden aan de Facebook-pagina van V. Dat eiser eerder akkoord is gegaan met betaling aan haar geeft verweerder geen vrijbrief voor betalingen nadien van meer dan € 5.000,00. Zeker waar het betalingen aan zijn echtgenote betreft had verweerder hiermee prudent moeten omgaan.

Eigenmachtig optreden van D en verweerder blijkt voorts uit het moedwillig afschermen voor J en eiser van het kassasysteem, de boekhouding en de kluis van V. D en verweerder hebben aldus aan J en eiser zicht ontnomen op het reilen en zeilen van de in V gedreven onderneming, waarvoor zij als bestuurder medeverantwoordelijk zijn, waarbij zij als medeaandeelhouder belang hebben, en waarin zij als houder van de helft van de stemgerechtigde aandelen medezeggenschap zouden moeten hebben. D en verweerder hebben zodoende hun eigen positie en die van J en eiser in ernstige mate miskend.

Dan is er de oprichting van W. Vast staat dat hierin een onderneming wordt gedreven die met V Projecten concurrerende activiteiten verricht en dat D 92% van de aandelen in W houdt. Verweerder handelt aldus naar voorlopig oordeel in strijd met het concurrentieverbod van art. 12 van de aandeelhoudersovereenkomst, ook indien met D en verweerder wordt aangenomen dat zij met W slechts beogen tezamen bouwprojecten uit te voeren zonder het volgens hen onverantwoorde fiscale risico dat in Projecten wordt gelopen, dat zij de in W gerealiseerde winst aan V afdragen en dat zij op eerste verzoek de helft van de aandelen in W aan J zullen overdragen. Feitelijk bedient W immers dezelfde markt als V. Dat V daarvan volgens D en verweerder geen geldelijk nadeel ondervindt doet daaraan niet af. Te meer niet nu J en eiser dit laatste alsmede de aandelenoverdracht, die pas na dagvaarding in kort geding is aangeboden, niet zonder meer kunnen afdwingen.

Volgens D en verweerder is de oprichting van W ingegeven door de wens bouwprojecten door zzp’ers te kunnen laten uitvoeren zonder de volgens hen in Projecten gelopen fiscale risico’s, die door J en eiser worden ontkend. Zij hadden dit conflict echter via het bijeenroepen van een algemene vergadering en zo nodig de toepassing van de conflictenregeling in de aandeelhoudersovereenkomst moeten beëindigen. Daartoe bestond gelegenheid, ondanks het verzet daartegen van J en eiser, zoals D en verweerder erkennen. Met de gekozen oplossing zetten D en verweerder medezeggenschap van J en eiser feitelijk welbewust en ten onrechte buiten spel.

Met de facturen van G advocaten en van P Consultancy hebben J en eiser bovendien aannemelijk gemaakt dat D en verweerder eigenmachtig de (aanzienlijke) kosten van diensten die aan hen, c.q. aan de alleen door hen gewenste beëindiging van het aandeelhouderschap van J in V ten goede zouden komen, voor rekening laten komen van V.

De schorsing van de bestuurder

Aldus is voldoende aannemelijk geworden dat D en verweerder in zodanig ernstige mate handelen in strijd met de rechten van J en eiser uit de aandeelhoudersovereenkomst en als (middellijk) medeaandeelhouder/bestuurder van V, dat bij wege van ordemaatregel schorsing van D als bestuurder van V, een verbod op het verrichten van bestuurshandeling gedurende deze schorsing, en schorsing van het stemrecht van D als aandeelhouder in beide vennootschappen op zijn plaats zijn.

De schorsingen zullen in duur worden beperkt tot en met 30 november 2017 of zo veel eerder als de reeds aangezochte Ondernemingskamer een voorziening treft. Deze periode biedt voldoende gelegenheid voor normalisatie van de verhoudingen binnen de directie van V en beraad over de toekomst van deze vennootschappen.

In dit kort geding is zoals geoordeeld voldoende aannemelijk geworden dat verweerder het concurrentiebeding uit de aandeelhoudersovereenkomst overtreedt. Daarom bestaat tevens aanleiding D en verweerder versterkt met een dwangsom te veroordelen zich op de gevorderde wijze van verdere concurrentie te onthouden.

Niet betwist is dat J en eiser als (middellijk) bestuurder/directeur van V in beginsel recht hebben op toegang tot de administratie, het kassasysteem, het boekhoudprogramma en de kluis van V. D en verweerder hebben J en eiser verwijten gemaakt die volgens De H en verweerder grond opleveren om deze toegang aan J en eiser te ontzeggen. Het betreft onder meer verschil van inzicht over hoe in Projecten moet worden omgegaan met Poolse onderaannemers. J en eiser hebben daarover extern advies ingewonnen. D en verweerder zijn het daar niet mee eens, maar hun argumenten geven volstrekt onvoldoende grond om aan te kunnen nemen dat er sprake is van de door D en verweerder gestelde malversaties. Ook is aangevoerd dat geen juiste boekhouding wordt gevoerd en dat uit de kluis is gestolen door eiser, maar deze beschuldigingen zijn evenmin feitelijk voldoende onderbouwd, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. Er bestaat dan voldoende grond D en verweerder, zoals gevorderd, versterkt met een dwangsom te veroordelen om aan J en eiser de hiervoor bedoelde toegang te verschaffen.

Voor een veroordeling tot betaling van een voorschot op schadevergoeding vanwege schending van het concurrentieverbod bestaat onvoldoende aanleiding. Niet is toegelicht waarom bij toewijzing van deze geldvordering in kort geding een spoedeisend belang bestaat.

 Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de geschillenregeling in het ondernemingsrecht, over de uitkoop of uitstoot van aandeelhouders of over de schorsing of ontslag van een bestuurder, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.