Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 11 februari 2020 uitspraak gedaan over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot buitenlands onroerend goed.

Alvorens het hof toekomt aan de beoordeling van de door appellant opgeworpen grieven, dient de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter (internationaal) bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de man ter zake van de onroerende goederen ingeschreven in Portugal.

Onroerend goed. Rechtsmacht. Bevoegdheid Nederlandse rechter met betrekking tot buitenlands onroerend goed.

De rechter oordeelt als volgt.

De regels van (internationale) procesbevoegdheid zijn van openbare orde, tenzij een forumkeuze is uitgebracht omtrent een rechtsbetrekking die tot vrije bepaling van partijen staat.

Anders dan partijen is het hof van oordeel dat uit artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst niet volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van appellant voor zover die zien op (de medewerking aan) de verdeling van de hiervoor genoemde onroerende goederen.

In dat artikel wordt slechts een regeling gegeven voor het geval tussen partijen geschillen opkomen betreffende de uitleg van de bepalingen van de samenlevingsovereenkomst en de benoeming door de kantonrechter van een onpartijdige persoon.

De onderhavige zaak ziet echter op de vraag of er al dan niet sprake is van een tussen partijen bestaande gemeenschappelijke eigendom van de onroerende goederen in Portugal en of geïntimeerde gehouden is tot medewerking aan de verdeling, dan wel verkoop van die onroerende goederen.

Daarvoor geeft de samenlevingsovereenkomst geen regeling, laat staan een schriftelijke forumkeuze van partijen.

Nu partijen niet zijn gehuwd, noch een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan moet de (internationale) bevoegdheid beoordeeld worden aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: Brussel I-bis), dan wel aan die van haar voorgangers: artikel 16 sub 1 EEX-Verdrag en artikel 22 punt 1 EEX-Vo (nr. 44/2001), welke bepalingen vrijwel overeenstemmen met het huidige artikel 24 Brussel I-bis.

Artikel 24, aanhef en onder 1, Brussel I-bis luidt, voor zover thans van belang:

‘Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:

lid 1 : voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. (…)’

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) volgt dat de exclusieve bevoegdheidsbepaling van (thans) artikel 24 Brussel I-bis niet ruimer mag worden uitgelegd dan het oogmerk ervan verlangt en dat de ratio ervan is gelegen in de omstandigheid dat de rechter van de plaats van ligging van de onroerende zaak, vanwege zijn nabijheid het beste in staat is zich op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie en de ter zake geldende voorschriften en gebruiken van die staat van ligging toe te passen (HvJ EG 10 januari 1990, zaak C-115/88, Jur. 1990, p.1-27, (Reichert en Kockler).

Deze beslissing heeft weliswaar betrekking op artikel 16 van het EEX-Verdrag, maar is ook van toepassing is op artikel 24, aanhef en onder 1 Brussel I-bis.

Uit voornoemd arrest (Reichert en Kockler) volgt ook dat artikel 16 EEX-verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed gelegen is, niet alle mogelijke rechtsvorderingen omvat die een zakelijk recht op onroerend goed betreffen, maar enkel die welke zowel binnen het toepassingsgebied van het EEX-verdrag vallen, als tot de rechtsvorderingen behoren die ertoe strekken de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en om de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheden te verzekeren.

Volgens vaste rechtspraak volstaat het voor de toepasselijkheid van artikel 16 sub 1 (a) EEX-verdrag dus niet, dat de rechtsvordering verband houdt met een zakelijk recht op het onroerend goed of dat zij betrekking heeft op een onroerend goed.

De rechtsvordering moet zijn gebaseerd op een zakelijk recht en, behoudens de uitzondering waarin is voorzien voor huur en verhuur en pacht en verpachting van onroerende goederen, niet op een persoonlijk recht (HvJ EG 9 juni 1994, zaak C-292/93, Jurispr. blz I-2545, punt 12 en 13, NJ 1994/649, (Lieber) en 27 januari 2000, C-8/98, Jurispr. blz I-393, punt 21 en 22, (Dansommer).

Appellant heeft in deze procedure primair onder meer gevorderd dat het hof zal bepalen dat partijen medewerking verlenen aan de verdeling van de onroerende goederen te Portugal, overeenkomstig artikel 3:178 lid 2 BW in samenhang met 3:185 lid 1 en 2c BW, subsidiair tot medewerking overeenkomstig artikel 3:185 lid 2c BW en dat, indien een van partijen niet meewerkt aan verkoop en levering van het onroerend goed, het arrest van het hof op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte akte.

Hij stelt daartoe dat er sprake is van gemeenschappelijke eigendom.

Geïntimeerde daarentegen betwist gemotiveerd dat er sprake is van gemeenschappelijke eigendom, en verwijst daarbij naar de notariële akten van de eigendomsoverdracht van die percelen.

Nu de vorderingen van appellant, voor zover hierboven omschreven, betrekking hebben op in het buitenland gelegen onroerende goederen en hij zich daarbij baseert op zijn (mede)eigendomsrecht, acht het hof zich op grond van artikel 24, aanhef en onder 1 Brussel I-bis, dan wel de voorgangers van dit artikel, niet bevoegd kennis te nemen van de vorderingen zoals hiervoor vermeld.

Het hof is van oordeel dat de Portugese rechter exclusief bevoegd is om vast te stellen of er sprake is van (gemeenschappelijke) eigendom, zoals door appellant gesteld, en/of zijn vorderingen, voor zover hierboven omschreven, jegens geïntimeerde kunnen worden toegewezen.

Het hof zal zich in zoverre onbevoegd verklaren kennis te nemen van deze vorderingen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat contractenrecht over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat contractenrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het contractenrecht of het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het contractenrecht en het ondernemingsrecht. Klik dan hier.