Van onze advocaat bedrijfsovername. De Rechtbank Rotterdam heeft op 29 november 2017 uitspraak gedaan over een non-concurrentiebeding in een koopovereenkomst van de activa/passiva van een onderneming en over een relatiebeding in een managementovereenkomst. Uitleg.

In de eerste plaats is de vraag aan de orde of gedaagden het non-concurrentiebeding in artikel 12 van de koopovereenkomst en het relatiebeding in artikel 10 van de managementovereenkomst hebben overtreden en of zij uit dien hoofde boetes verschuldigd zijn aan eisers.

Als producties bij de dagvaarding hebben eisers overzichten van de door hen gestelde overtredingen in het geding gebracht.

Partijen twisten over de manier waarop het non-concurrentiebeding en het relatiebeding moeten worden uitgelegd.

Eisers hebben aangevoerd dat het gedaagden op grond van het non-concurrentiebeding verboden was om werkzaamheden te verrichten die gelijk of concurrerend zijn aan de activiteiten die eiseres van gedaagde heeft overgenomen.

Dat betrof belastingadvies-, accountancy- en registerwerkzaamheden, aldus eisers. Op grond van het relatiebeding was het gedaagden voorts niet toegestaan om werkzaamheden te verrichten dan wel werkzaam te zijn voor (potentiële) klanten en relaties van eiseres, waaronder de specifieke klanten als genoemd op de bij de overeenkomsten gevoegde klantenlijst.

Artikel 6.4 is volgens eisers in de managementovereenkomst opgenomen met het uitgangspunt dat er geen concurrerende werkzaamheden in algemene zin zouden worden verricht door gedaagden Het stond de onderneming V – en dus niet gedaagde – vrij om ook voor andere opdrachtgevers dan eiseres werkzaam te zijn, maar dat betekent niet dat V voor relaties van eiseres mocht werken of eiseres mocht beconcurreren, aldus eisers.

Partijen zijn overeengekomen dat gedaagde zijn gebruikelijke werkzaamheden zou voortzetten vanuit V, tegen betaling van een management-fee door eiseres. Eiseres zou dat werk dan bij de klant in rekening brengen en aldus omzet genereren.

Gedaagden hebben die omzet echter bewust bij eiseres weggehouden. Het was gedaagden niet toegestaan om te werken voor zelf geworven klanten, voormalige relaties van eiseres en personen die gedaagde privé kent. Een dergelijke uitleg vindt geen steun in de tekst van de bedingen en is in strijd met de strekking van de overeenkomsten. Partijen zijn immers expliciet overeengekomen dat gedaagde zich zou inspannen om het bedrijfsdebiet van eiseres in stand te houden en te vergroten en daarmee is niet in overeenstemming dat gedaagde zelf klanten heeft bediend die ook door eiseres hadden kunnen worden bediend, aldus de advocaat van eisers.

Volgens gedaagden is het nooit de bedoeling van partijen geweest om gedaagde te verbieden elders en/of voor derden te werken.

Integendeel, het was juist de bedoeling dat gedaagde naast zijn werk voor eiseres ook andere werkzaamheden zou verrichten.

In de managementovereenkomst is vermeld dat partijen uitdrukkelijk niet hebben beoogd een arbeidsovereenkomst te sluiten en dat de onderneming V en gedaagde dient te beschikken over een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR).

Bovendien was het de bedoeling dat gedaagde een eigen praktijk zou opbouwen, omdat de samenwerking tussen partijen slechts tijdelijk zou zijn. Gedaagde verkocht zijn klanten en personeel aan eiseres (voor een zeer bescheiden prijs) en zou nog enige tijd aanblijven om de zaken goed over te dragen en te proberen extra werk voor het accountantskantoor van eiseres binnen te halen in de regio Breda.

Gedaagde mocht echter ook zelf klanten werven en werken voor klanten die al geen relatie meer waren van eiseres.

Sprake was van een samenwerking waarmee wederzijds voordeel werd beoogd: de fiscale werkzaamheden zouden bij gedaagden blijven – gedaagde kan ook geen ander beroep uitoefenen dan dat van belastingadviseur – en het accountancygedeelte ging naar eiseres. Door de overeengekomen bonusregelingen had gedaagde ook belang bij het succes van de activiteiten onder de vlag van eiseres.

Gedaagden hebben verder nog aangevoerd dat artikel 6.4 van de managementovereenkomst niet alleen gold voor V en/of gedaagde als natuurlijk persoon die de werkzaamheden in en voor V verrichtte, maar ook voor gedaagde.

Gedaagde was immers nog (met medeweten en zelfs op kosten van eisers) verzekerd tegen beroepsaansprakelijkheid voor die werkzaamheden, beschikte over een bepaalde bekendheid bij het publiek (waaronder via de website) en het bordje van gedaagde zat nog op de gevel van het pand dat door eisers werd gehuurd. Bovendien is de onderneming V de bestuurder van gedaagde en moeten de werkzaamheden van gedaagde alleen al om die reden worden toegerekend aan de onderneming V, aldus de advocaat van gedaagden.

Non-concurrentiebeding in koopovereenkomst van activa/passiva. Relatiebeding in managementovereenkomst. Uitleg

De rechter oordeelt als volgt,

Nu het de uitleg van een zuiver commerciële overeenkomst betreft – gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen – komt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen grote betekenis toe.

Bij de uitleg zijn voorts van belang de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractbevestiging, de wijze van totstandkoming (waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door deskundige raadslieden) en de overige bepalingen.

Maar ook wanneer bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval steeds meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht.

Doorslaggevend blijft uiteindelijk de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

De rechter stelt in het onderhavige geval voorop dat de koop- en de managementovereenkomst niet los van elkaar kunnen worden gezien.

Met de koopovereenkomst zijn de bedrijfsactiviteiten van gedaagde overgedragen aan eiseres voor een bedrag van € 15.000,00.

Partijen zijn daarbij tevens een samenwerking aangegaan, in welk kader – op dezelfde dag – de managementovereenkomst is gesloten.

Op grond van die overeenkomst zou de onderneming V (en dus feitelijk gedaagde) management- en belastingadviesdiensten verrichten ten behoeve van eiseres, waarbij een vergoeding van € 104,00 exclusief btw per uur is overeengekomen.

Onder de te verrichten managementdiensten wordt onder meer verstaan het werven van nieuwe opdrachten voor eiseres door V (gedaagde). Met betrekking tot klanten die door gedaagde aan eiseres zijn overgedragen en klanten die nieuw door V (gedaagde) voor eiseres zijn geworven zijn partijen een bonusregeling (prestatiebonus A en B) overeengekomen.

Het non-concurrentiebeding in de koopovereenkomst verbiedt gedaagde, de onderneming V om gedurende een periode van vier jaar vanaf 1 januari 2013 in Nederland werkzaamheden te verrichten die gelijk of concurrerend zijn aan de werkzaamheden van gedaagde, anders dan voortvloeiend uit de managementovereenkomst.

In de managementovereenkomst is expliciet vermeld (in artikel 6.4) dat V (gedaagde) naast de management- en belastingadvieswerkzaamheden voor eiseres ook werkzaamheden voor andere partijen mag verrichten en geenszins verplicht is al de tijd ten behoeve van eiseres aan te wenden.

Achtergrond van deze bepaling is volgens partijen dat zij nadrukkelijk geen arbeidsovereenkomst wilden aangaan en het daarom noodzakelijk was dat V (gedaagde) ook voor andere opdrachtgevers werkzaam zou zijn.

In de managementovereenkomst is wat betreft de aard van de door V (gedaagde) voor andere opdrachtgevers te verrichten werkzaamheden geen beperking opgenomen.

Met gedaagden is de rechter van oordeel dat een redelijke uitleg meebrengt dat ook belastingadvieswerkzaamheden mochten worden verricht voor andere (nieuwe) opdrachtgevers.

Gedaagde heeft onweersproken gesteld dat hij geen ander beroep kan uitoefenen dan dat van belastingadviseur. Eisers hebben weliswaar gesteld dat artikel 6.4 van de management-overeenkomst is opgenomen met het uitgangspunt dat er geen concurrerende werkzaamheden in algemene zin zouden worden verricht door gedaagden, maar zij hebben die stelling niet nader toegelicht.

Mede in aanmerking genomen dat de overeenkomst is opgesteld door de advocaat van eisers en partijen over dit punt volgens eisers niets specifiek hebben uitgewisseld bij de onderhandelingen, heeft gedaagde (artikel 6.4 van) de managementovereenkomst aldus mogen opvatten dat het in beginsel, behoudens de hierna te bespreken restricties, niet verboden was om belastingadvieswerkzaamheden voor andere partijen te verrichten.

Deze uitleg brengt mee dat het non-concurrentiebeding in de eerste zin van artikel 12.1 van de koopovereenkomst, door de verwijzing naar de gelijktijdig met de koopovereenkomst gesloten managementovereenkomst, haar werking heeft verloren.

Het non-concurrentiebeding kan dan ook niet dienen als grondslag voor de vorderingen van eisers. De hiervoor weergegeven vorderingen kunnen bij gebreke van een grondslag dan ook niet worden toegewezen.

De mogelijkheden voor V (gedaagde) om (belastingadvies)werkzaamheden voor andere partijen dan eiseres te verrichten, zijn in artikel 6.4 van de managementovereenkomst beperkt door de gerechtvaardigde belangen van eiseres op basis van de managementovereenkomst.

Verder is in artikel 6.4 en artikel 10 van de managementovereenkomst bepaald dat het V en gedaagde niet is toegestaan om gedurende de looptijd van de overeenkomst en twee jaar nadien werkzaamheden te verrichten voor klanten en relaties, dan wel potentiële klanten en relaties van eiseres, waaronder ook de specifieke klanten als gespecificeerd op de klantenlijst.

De rechter is van oordeel dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat het tot twee jaar na het einde van de managementovereenkomst verboden was om werkzaam te zijn voor de specifieke klanten die op de klantenlijst zijn vermeld.

Wat betreft de vraag wat – los van de specifieke klanten – moet worden verstaan onder (potentiële) klanten of relaties van eiseres, sluit de rechter aan bij de definitie van het begrip “relatie” die in de managementovereenkomst is opgenomen: “alle (natuurlijke en rechts-)personen waarmee Opdrachtgevers [rechter: eisers] zakelijke contacten onderhouden, daaronder ook begrepen (natuurlijke en rechts-)personen waarmee Opdrachtgevers in onderhandeling zijn (geweest) om diensten te verlenen”.

Partijen hebben ter zitting verklaard dat bij de onderhandelingen niet is gesproken over de vraag wanneer sprake is van een potentiële klant of relatie.

Een redelijke uitleg brengt mee dat het moet gaan om (rechts)personen die al in het vizier van eiseres waren.

Als dat anders zou zijn, zou iedere willekeurige (rechts)persoon als potentiële klant of relatie kunnen worden aangeduid.

Er is geen enkele aanwijzing dat partijen dat voor ogen zou hebben gestaan. Integendeel, V (gedaagde) mocht juist werken voor andere partijen.

Een redelijke uitleg van het relatiebeding brengt voorts mee dat het verbod om te werken voor (specifieke) klanten en relaties van eiseres zich ook uitstrekt tot de (specifieke) klanten en relaties die gedurende de werking van het relatiebeding hun relatie met eiseres hebben opgezegd en vervolgens gedaagde hebben benaderd.

In de managementovereenkomst is het immers expliciet verboden om tot twee jaar na het einde van die overeenkomst te werken voor klanten en relaties van eiseres en gedaagde diende dat te respecteren, ook als de (specifieke) klanten/relaties uit eigen beweging wilden overstappen van eiseres naar gedaagde.

De rechter merkt in dit kader ten slotte op dat het er bij de beantwoording van de vraag of het relatiebeding is overtreden op aan komt of door gedaagde werkzaamheden zijn verricht voor (potentiële) klanten en relaties van eiseres waar hij ingevolge de managementovereenkomst niet voor mocht werken.

Op welke wijze deze werkzaamheden vervolgens door gedaagde zijn gefactureerd (via V of via gedaagde), is bij de beantwoording van deze vraag niet van belang.

Dat gedaagde voor andere partijen mocht werken – en in dat kader nieuwe opdrachtgevers voor zichzelf mocht werven – is op zichzelf niet goed te rijmen met zijn taak om nieuwe opdrachten te werven voor eiseres (ingevolge artikel 3.2 van de managementovereenkomst).

Dat partijen zich bij de onderhandelingen bewust zijn geweest van deze tegenstrijdigheid en daarover hebben gesproken, is niet gebleken. Gedaagde heeft gesteld dat gedaagde een keuzevrijheid had om een klant al dan niet bij eiseres onder te brengen of zelf te bedienen, maar de rechter kan hen daarin niet zonder meer volgen.

Per geval zal moeten worden beoordeeld of sprake is van een potentiële klant of relatie van eiseres. Voorts ligt het voor de hand dat indien een nieuwe (door gedaagde geworven) klant naast belastingadviesdiensten ook accountancydiensten wenste af te nemen, deze klant bij eiseres werd ondergebracht. Ook gedaagden gaan daar blijkens hun stellingen van uit. Consequentie daarvan is wel dat de betreffende klant een klant van eiseres werd en daarmee onder de werking van het relatiebeding komt te vallen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over een bedrijfsovername of over de overname van de activa-passiva van een onderneming, over een managementovereenkomst of een relatiebeding of over de uitleg van een contract, belt u dan gerust onze advocaat bedrijfsovername op 020-3980150.