Van onze advocaat contractenrecht. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 24 april 2019 uitspraak gedaan in kort geding over de opzegging van een duurovereenkomst

Het geschil tussen partijen gaat over de beëindiging van de duurovereenkomst.

Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is.

Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat.

Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.

Kort geding. Opzegging van een duurovereenkomst. Redelijkheid en billijkheid.

De rechter oordeelt als volgt.

De aard en inhoud van de overeenkomst verzetten zich niet tegen de opzegging van de overeenkomst.

Er is immers sprake van een wederzijds niet exclusieve handelsovereenkomst.

V gaat hier ook van uit, maar acht de opzegtermijn zoals door K gehanteerd te kort.

Voor de beantwoording van de vraag of aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een langere opzegtermijn in acht moet worden genomen dan op 25 januari 2019 is aangekondigd door K, namelijk een afbouw van het gehele volume in 5 maanden, is van belang wat partijen gelet op de inhoud van de overeenkomst over en weer mochten verwachten van de ontwikkeling van de samenwerking

Partijen verschillen over dit laatste van mening.

Volgens V heeft K tot 25 januari 2019 op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat de samenwerking zou eindigen, K heeft volgens V slechts gesproken over het uitbesteden aan een extra atelier in verband met risicospreiding en groei.

Volgens K weet V al sinds 2014 dat het werk van K in de daarop volgende jaren drastisch zal afnemen en uiteindelijk zal verdwijnen nadat V te kennen had gegeven de relatie met K niet als (exclusief) partnership te willen vormgeven.

Gelet op de concurrentie van V die eigen collecties voert en de belangrijkste concurrenten van K belevert, ervaart K het als een probleem dat V de beschikking heeft over veel informatie van K en daarnaast beklaagt K zich al langere tijd over de levertijden en het prijspeil van V.

Wat er ook zij van de beweegredenen van partijen met betrekking tot de afbouw van het procentuele volume van de omzet, uit de wederzijds ingenomen stellingen van partijen ondersteund door gespreksverslagen zoals die bij de vaststaande feiten zijn opgenomen, volgt dat tussen partijen over deze afbouw is gesproken en afspraken zijn gemaakt.

Op 1 september 2017 is medegedeeld aan V dat wordt gestart met een tweede atelier, vervolgens is in oktober 2017 beslist over de afbouw van een 40 tal referenties en in november 2017 over de afbouw van 125 -135 referenties, vervat in een afbouwplan. Een verdere vermindering is besproken in april 2018, wederom aan de hand van een afbouwplan dat voorzien in aantallen reducties per maand. In september 2018 worden eveneens reducties aangekondigd. Het geheel van de afgesproken reducties tot dan toe resulteert in een afbouw van 50% van het volume. In het gespreksverslag is opgenomen dat afgesproken is dat V een half jaar van te voren wordt geïnformeerd indien K nog verder gaat afbouwen. Gesteld noch gebleken is dat V tegen de reducties heeft geprotesteerd.

Temeer nu geen sprake is van een schriftelijke overeenkomst tussen partijen met afnameverplichtingen en opzegbepalingen bepalen de in de voorgaande overweging genoemde omstandigheden in belangrijke mate wat partijen over en weer mogen verwachten.

Het moest V immers op grond daarvan duidelijk zijn dat K de omzet met V wilde inkrimpen en dat een verdere afbouw tot beneden 50 % tot de mogelijkheden behoorde, maar wel een half jaar vooraf aangekondigd zou worden.

Op 25 januari 2019 heeft HFG aan V opnieuw een afbouwplan medegedeeld, inhoudende dat vanaf 1 januari 2019 tot 31 juli 2019 de resterende 50% van de referenties wordt afgebouwd naar 0%.

De voorzieningenrechter overweegt dat de mededeling van het afbouwplan van 25 januari 2019 niet conform de op 26 september 2018 gemaakte afspraak tussen partijen heeft plaatsgevonden.

Op basis van deze afspraak is K immers gehouden om V in ieder geval 6 maanden van tevoren te informeren over een eventuele verdere afbouw, zodat V redelijkerwijs mocht aannemen dat een eventuele verdere afbouw pas zou plaatsvinden zes maanden na de mededeling ervan, derhalve vanaf 25 juli 2019.

Gelet op de inhoud van de eerdere afbouwplannen mocht V ook redelijkerwijs aannemen dat de verdere afbouw in zekere mate gefaseerd zou plaatsvinden, waarbij wel aangemerkt moet worden dat bij de eerdere afbouwplannen direct na aankondiging al reducties zouden plaatsvinden.

Ondanks het op 25 januari 2019 gecommuniceerde afbouwplan is ter zitting gebleken dat V tot april 2019 nog steeds 50% van de referenties vervaardigt, zodat aan de aangekondigde afbouw van deze laatste 50% tot op heden nog geen uitvoering is gegeven.

Anders dan V betoogt volgt hieruit nog niet dat dit tot een grotere verplichting van K leidt, V mocht en kon al rekening houden met de aangekondigde reducties en aan de hand daarvan andere afnemers trachten te vinden.

Gezien de inhoud van de overeenkomst van partijen zoals die zich de laatste jaren heeft ontwikkeld en de afspraak van 26 september 2018, is de voorzieningenrechter van oordeel dat van K de inachtneming van een ruimere afbouwregeling verwacht mocht worden.

De voorzieningenrechter zal gelet op het voorgaande K veroordelen om tot 25 juli 2019 minimaal 50%, en vanaf 25 juli 2019 tot 25 oktober 2019 minimaal 25%, van het totaal van de haar uit te besteden confectieopdrachten (het volume) van gordijnen, vitrage en vouwgordijnen uit te besteden aan V.

Hoewel in de e-mailcorrespondentie gesproken wordt over afbouw van referentienummers, heeft K geen verweer gevoerd tegen de vordering om volume uit te besteden anders dan dat een stijging van het volume niet aan V te goede zou moeten komen.

Nu de voorzieningenrechter een gefaseerde afbouwperiode van 9 maanden na de mededeling van 25 januari 2019 bepaalt in plaats van de gevorderde periode van 3 jaar, wordt het effect van groei verwaarloosbaar geacht.

Een langere periode of groter volume is niet toewijsbaar en zal worden afgewezen omdat dit gelet op hetgeen partijen in dit kort geding hebben aangevoerd niet volgt uit hetgeen is overeengekomen.

Gelet op hetgeen is vast komen te staan ten aanzien van de aard en inhoud van de overeenkomst en overige omstandigheden is de bepaalde opzegperiode naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Mede gelet op de discussies tussen partijen over het behalen van levertijden en over de prijzen, dient terughoudendheid betracht te worden in het bepalen dat de overeenkomst tussen partijen dient voort te duren, maar anders dan K bepleit heeft dient bij afweging van belangen de omstandigheid dat de vordering van V ook te vertalen is in een vordering tot schadevergoeding niet de doorslag te geven om de vordering geheel af te wijzen. V heeft immers ook het belang haar ateliers zo veel mogelijk draaiende te houden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het contractenrecht, over de uitleg van een overeenkomst of over de opzegging van een duurovereenkomst, belt u dan gerust onze advocaat contractenrecht op 020-3980150.