De Rechtbank Gelderland heeft op 11 november 2020 uitspraak gedaan over interne bestuurdersaansprakelijkheid van artikel 2:9 BW.

R legt aan haar vordering primair interne bestuurdersaansprakelijkheid ex. artikel 2:9 BW ten grondslag.

In genoemd artikel staat dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak.

Voor aansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder (gedaagde) zijn bestuurszaak niet behoorlijk heeft uitgeoefend en hem daarvoor een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

Bestuurdersaansprakelijkheid. Interne bestuurdersaansprakelijkheid. Behoorlijke taakvervulling. Hoofdelijke aansprakelijkheid. Vaststellingsovereenkomst.

De rechter oordeelt als volgt.

In dit geval heeft gedaagde een derde gemachtigd om R te vertegenwoordigen om een vaststellingsovereenkomsten met gedaagde te sluiten.

In de vaststellingsovereenkomsten is vastgelegd dat gedaagde en B ieder recht hebben op een bedrag van € 4.000,-.

Daarna hebben gedaagde en B ervoor gezorgd dat deze bedragen daadwerkelijk aan henzelf zijn uitbetaald.

In feite hebben zij dus geld aan zichzelf betaald ten laste van R, terwijl de functie van bestuurslid bij R onbezoldigd is én terwijl hun positie onhoudbaar was geworden.

Tenslotte is van belang dat de leden van deze betalingen of de vaststellingsovereenkomsten niet op de hoogte zijn gesteld.

Er is aan de leden geen instemming gevraagd of de mogelijkheid gegeven om iemand aan te wijzen de vereniging te vertegenwoordigen wegens het tegenstrijdige belang van de bestuurders (artikel 2:47 BW).

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft gedaagde, gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, zijn taak als bestuurder niet naar behoren uitgeoefend en kan hem daarvoor een ernstig verwijtbaar worden gemaakt.

Er is geen objectivering voor de betaling van € 4.000,- die gedaagde zelf heeft bewerkstelligd.

Dat gedaagde heeft gezorgd voor een goede overgang van bestuurstaken kan niet als grond voor betaling worden gezien.

Dit behoorde tot zijn – onbezoldigde – taak als bestuurder.

Gedaagde is daarom aansprakelijk voor de door R geleden schade.

Dat gedaagde aanvoert dat hij zich heeft gehouden aan zijn verplichtingen volgend uit de vaststellingsovereenkomst, maakt het voorgaande niet anders.

Gelet op het in artikel 2:9 BW bepaalde, is gedaagde daarbij aansprakelijk voor het geheel van de schade (oftewel hij is hoofdelijk aansprakelijk).

Hij is daarom geheel aansprakelijk voor de aan hem en B overgemaakte bedrag van € 8.000,- vermeerderd met wettelijke rente.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.