Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. De Rechtbank Gelderland heeft op 24 mei 2017 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement.
Gronden van bestuurdersaansprakelijkheid
Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Elke bestuurder is op grond van artikel 2:9 BW tegenover de rechtspersoon gehouden tot behoorlijke vervulling van zijn taak en is hoofdelijk aansprakelijk voor schade voortkomend uit onbehoorlijk bestuur. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Een bestuurder kan ook op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk worden gesteld, bijvoorbeeld door een schuldeiser van een vennootschap. In dat geval geldt voor aansprakelijkheid het vereiste dat hem persoonlijk een ernstig verwijt dient te kunnen worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap onder meer worden aangenomen wanneer deze ten tijde van het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling niet persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit is het zogenoemde “Beklamelcriterium”.
Ook kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen (HR:2006:AZ0758). Bij dit zogenoemde “Ontvanger/Roelofsen-criterium” draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.
Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement
De curator vordert primair vergoeding van het nader vast te stellen boedeltekort, subsidiair € 18.000,00. Daarbij beroept de curator zich op artikel 2:9 BW, artikel 2:11 BW, artikel 6:162 BW en artikel 2:248 BW en stelt, kort samengevat, dat S failliet is gegaan door de onttrekking van het geplaatste aandelenkapitaal van € 18.000,00 nog vóór de oprichting van S, door het overhevelen van de bedrijfsvoering van S naar T en het niet voeren van een administratie over 2013.
De advocaat van T voert aan dat niet haar handelen maar de patstelling tussen T en A over de financiering van de ondernemingsactiviteiten de oorzaak is van het faillissement. A kwam zijn financieringsverplichting niet na en weigerde daarover in overleg te treden om een oplossing te vinden. Weliswaar is gedurende een korte periode sprake geweest van overheveling van activiteiten naar T, echter direct na de uitspraak van de voorzieningenrechter is dit volledig ongedaan gemaakt.
Voor wat betreft de overheveling van de bedrijfsvoering en het actief van S naar T is tussen partijen niet in geschil dat dit is geschied. Vooropgesteld moet worden dat gedaagden met het overhevelen van de bedrijfsvoering en al het actief uit S naar een andere vennootschap hun taak als indirect bestuurders ten opzichte van de vennootschap S niet behoorlijk hebben vervuld en dat zij in beginsel aansprakelijk kunnen worden gehouden voor schade voortkomend uit dat onbehoorlijk bestuur. Vervolgens moet worden bezien of dit schade heeft veroorzaakt en zo ja, hoeveel.
Na het kort geding heeft T gehoor gegeven aan de veroordeling tot het terug overhevelen van de bedrijfsvoering en de activa van T naar S. Volgens T gebeurde dat vrijwel onmiddellijk na het kort geding vonnis. De curator heeft tijdens de comparitie erkend dat T aan de veroordeling in het kort geding vonnis gehoor heeft gegeven, maar heeft daarbij gezegd dat hem niet helemaal duidelijk is of alles was terug gegeven.
De curator heeft echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat T niet tijdig dan wel niet volledig aan dit kort geding vonnis zou hebben voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank komt derhalve niet vast te staan dat de tijdelijke overheveling van de bedrijfsvoering en de onttrekking van het actief vanwege een dispuut over de financiering van S, het faillissement van S heeft veroorzaakt. Zo heeft de curator niet aangegeven en kon hij desgevraagd geen antwoord geven op de vraag hoeveel tijd er is verstreken tussen het onttrekken uit S en het terug overhevelen van het actief en welke tijdspanne er precies zat tussen die onttrekking en het uiteindelijke faillissement.
Anders gezegd, het noodzakelijk causaal verband tussen het handelen van T en het faillissement van S kan op grond van deze stellingen niet worden aangenomen, nu het faillissement eerst vijf maanden na het kort geding vonnis is uitgesproken. Niet valt uit te sluiten dat de impasse tussen de aandeelhouders die al bestond, na het terugstorten van het actief heeft voortgeduurd en dat deze de bedrijfsvoering volledig heeft verlamd. Voor zover de curator stelt dat het niet (meer) willen investeren in S door T heeft geleid tot het faillissement, overweegt de rechtbank dat niet is onderbouwd dat T tot bepaalde financiering gehouden was, anders dan het volstorten van de aandelen en het volgens afspraak voorfinancieren van de volstorting door A
Ook de enkele stelling van de curator dat er over het jaar 2013 geen administratie is gevoerd, hiermee ex art 2:248 lid 2 BW de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur is gegeven evenals het vermoeden dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement, leidt niet tot een ander oordeel. T heeft gemotiveerd betwist dat er geen administratie was. De administratie van S is aan de curator overhandigd en daaruit kunnen volgens T de rechten en verplichtingen van de vennootschap worden gehaald.
Gezien deze gemotiveerde betwisting en het ontbreken van een nadere onderbouwing van deze stelling kan niet worden uitgegaan van het gegeven dat het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen ex artikel 2:10 BW, zodat het bewijsvermoeden op grond van artikel 2:248 lid 2 BW niet opgaat. Er zijn voor het overige onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie leiden dat sprake is van onbehoorlijk bestuur. Aan nadere bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. De alternatieve grondslag van zelfstandige aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (6:162 BW) treft een zelfde lot nu daar geen nadere toelichting op is gegeven.
Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat T als (indirect) bestuurder S kennelijk onbehoorlijk heeft bestuurd (2:248 BW), dan wel dat zij als (indirect) bestuurder van S ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, dan wel anderszins onrechtmatig heeft gehandeld en uit die hoofde aansprakelijk is voor het boedeltekort.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u vragen over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.