De Rechtbank Overijssel heeft op 17 maart 2021 uitspraak gedaan over de vraag of de bestuurders tegenover de door hun bestuurde onderneming (intern) aansprakelijk waren op grond van onbehoorlijk bestuur.
In deze procedure gaat het om de vraag of gedaagden als bestuurders van de onderneming (eiseres) op grond van bestuurdersaansprakelijkheid hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schade die eiseres stelt te hebben geleden.
Het betreft derhalve de interne bestuurdersaansprakelijkheid, als bedoeld in artikel 2:9 BW.
Eiseres (de onderneming) baseert haar vorderingen op het leerstuk van onbehoorlijk bestuur.
Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. Interne aansprakelijkheid. Onbehoorlijk bestuur? Ernstig verwijt vanwege handelen in strijd met het statutaire doel? Tegenstrijdig belang?
De rechter overweegt als volgt.
Op grond van artikel 2:9 lid 1 BW is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak.
Elke bestuurder is voor het geheel aansprakelijk ter zake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden, aldus artikel 2:9 lid 2 BW.
De bestuurder dient zich jegens de vennootschap op verantwoorde wijze te gedragen.
Dat vereist onder meer dat hij bij zijn taakvervulling binnen de grenzen van zijn bevoegdheid opereert, die bevoegdheden op een deugdelijke wijze aanwendt in het belang van de rechtspersoon en ook overigens aan de voor hem geldende plichten voldoet (die kunnen voortvloeien uit de wet, statuten en andere afspraken binnen de rechtspersoon).
Van een bestuurder mag worden verwacht dat hij op zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult (Hoge Raad, 10 januari 1997, NJ 19997, 360).
Eiseres (de onderneming) verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van onbehoorlijk bestuur door gedaagden naar de beschikking van de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking van 17 oktober 2019 (hersteld bij beschikking van 20 november 2019) onder meer overwogen dat het bestuur van [eiseres] onzorgvuldig heeft gehandeld en zich de belangen van de vennootschap en haar aandeelhouders onvoldoende heeft aangetrokken. Daarbij gaat het volgens de Ondernemingskamer niet om incidenteel handelen, maar om een stelselmatig negeren van in het vennootschapsrecht geldende regels en gedragsnormen.
De negatieve ontwikkeling van het vermogen van [eiseres] is volgens de Ondernemingskamer grotendeels toe te schrijven aan het afwaarderen van de vorderingen uit hoofde van de leningen die zijn aangewend voor de Duitse activiteiten van [gedaagde 1] en die in strijd met het belang en de doelstelling van de vennootschap door het bestuur zijn verstrekt. Bij het verstrekken en vervolgens beheren en in stand houden van deze leningen had [gedaagde 1] volgens de Ondernemingskamer verder een persoonlijk belang dat strijdig was met het belang van de vennootschap. De in verband daarmee geldende voorschriften zijn door het bestuur echter genegeerd. Daarnaast is er volgens de Ondernemingskamer het nodige aan te merken op de wijze waarop het bestuur de administratie heeft gevoerd en op de inrichting, vaststelling en deponering van de jaarrekeningen. Ten slotte heeft het bestuur volgens de Ondernemingskamer niet voldaan aan de informatieplicht jegens de aandeelhouders. De Ondernemingskamer is van oordeel dat het onzorgvuldig handelen van het bestuur van dien aard is dat dit is te kwalificeren als wanbeleid.
Gedaagden voeren in hun verweer aan dat de beslissingen van de Ondernemingskamer onvoldoende zijn voor het vaststellen van bestuurdersaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 2:9 BW.
De rechtbank overweegt dat uit verschillende uitspraken van de Hoge Raad volgt dat de vaststelling door de Ondernemingskamer dat sprake is van onbehoorlijk bestuur voor partijen ook in andere procedures bindend is, maar dat de Ondernemingskamer niet bevoegd is een oordeel te geven over de persoonlijke aansprakelijkheid voor de gevolgen van een geconstateerd wanbeleid (Hoge Raad, 4 juni 1997, HR:1997:AG7240).
De door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten staan in een aansprakelijkheidsprocedure niet op voorhand vast, zelfs niet behoudens tegenbewijs.
Het oordeel van de Ondernemingskamer dat van wanbeleid sprake is geweest, kan daarin onder omstandigheden wel de bewijsrechtelijke betekenis hebben dat de rechter, mede gelet op de inhoud van het door de onderzoekers opgestelde verslag en het daarover in de tweede procedure van de enquête gevoerde debat, voorshands bewezen acht dat de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen (HR:2005:AS5010).
Hoewel de uitspraken van de Ondernemingskamer op zichzelf dan ook onvoldoende zijn om aan vast te stellen of sprake is van onbehoorlijk bestuur, constateert de rechtbank aan de andere kant dat gedaagden in de onderhavige procedure enkel hebben betwist dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en ter onderbouwing daarvan niets anders hebben aangevoerd dan wat zij reeds in de procedure bij de Ondernemingskamer naar voren hebben gebracht.
Gedaagden verwijzen in de onderhavige procedure naar het als productie 1 overgelegde verweerschrift dat namens hen is ingediend in de tweede fase van de enquête procedure bij de Ondernemingskamer en de als productie 2 overgelegde spreekaantekeningen die de advocaten van gedaagden hebben voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling van 16 mei 2019 in die enquête procedure.
Mede gelet op het belang van de wederpartij om te weten waartegen zij verweer moet voeren, is het volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet aan de rechtbank om de stellingen en onderbouwingen van gedaagden uit deze producties te filteren.
Dat leidt ertoe dat de rechtbank bij haar beoordeling alleen in aanmerking kan nemen hetgeen gedaagden in de onderhavige procedure uitdrukkelijk hebben aangevoerd. De rechtbank overweegt in dat kader als volgt.
Informatieplicht
Eiseres heeft onder meer aangevoerd dat gedaagden hardnekkig en structureel hebben geweigerd de andere aandeelhouders van behoorlijke informatie over de gang van zaken binnen eiseres te voorzien – ondanks verzoeken daartoe –, jaarrekeningen niet of te laat hebben gedeponeerd en aandeelhoudersvergaderingen niet hebben gehouden.
Zelfs na herhaaldelijk verzoek van de onderzoeker bij de Ondernemingskamer, de door de Ondernemingskamer aangewezen bestuurder, de door de Ondernemingskamer aangewezen beheerder van de aandelen en een gericht bevel van de Raadsheer-Commissaris van de Ondernemingskamer hebben gedaagden geweigerd informatie en documentatie te verschaffen over onder meer leningen, contracten en transacties van eiseres.
Eiseres is van mening dat gedaagden hiermee in strijd met de wettelijke bepalingen hebben gehandeld, waarvan hen een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Gedaagden hebben geen gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze stellingen van eiseres.
Zij hebben enkel aangevoerd dat de informatievoorziening nooit een probleem is geweest en dat de vergaderingen in het verleden conform gebruik aan de keukentafel plaatsvonden zonder formele uitnodigingen.
De rechtbank is van oordeel dat gedaagden in strijd hebben gehandeld met de wettelijke bepalingen, waaronder artikel 2:217 lid 2 BW en in de enquêteprocedure artikel 2:351 BW, die eiseres beogen te beschermen.
Op het moment dat de andere aandeelhouders om meer informatie en een formele aandeelhoudersvergadering verzochten, hadden eiseres en gedaagde daar gehoor aan moeten geven.
Door de verzochte informatie niet te geven en geen aandeelhoudersvergaderingen te organiseren hebben gedaagden niet aan de voor hen geldende plichten voldaan.
Ook in deze procedure hebben gedaagden, ondanks vragen van de rechtbank, niet kunnen uitleggen waarom zij de informatie waar op een gegeven moment expliciet om is gevraagd niet (hebben) willen verstrekken.
Strijd met statutaire bepalingen
Eiseres heeft verder gesteld dat sprake is van onbehoorlijk bestuur door gedaagden omdat zij als bestuurders van eiseres gelden ter beschikking hebben gesteld aan bedriif D zonder duidelijk zakelijk belang van eiseres en zonder daarbij te streven naar het verkrijgen van zekerheden of aflossingen op de hoofdsom of de rente.
Hiermee hebben gedaagden in strijd met het statutaire doel van eiseres gehandeld, aldus eiseres.
De rechtbank is van oordeel dat gedaagden in ieder geval ten aanzien van de leningen in strijd met het statutaire doel van eiseres hebben gehandeld en dat hen daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Voor 1 januari 2013 gold de regel dat een tegenstrijdig belang gevolgen had voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur (artikel 2:256-oud BW).
Op grond van artikel 14 lid 3 van de statuten van eiseres was er in geval van een tegenstrijdig belang geen beperking in de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur.
Dit neemt echter niet weg dat gedaagde zijn persoonlijke belangen zorgvuldig gescheiden had dienen te houden van de belangen van eiseres, daarover jegens de aandeelhouders een zo groot mogelijke openheid had dienen te betrachten en de door hem gemaakte keuzes had dienen te verantwoorden.
Dit heeft gedaagde nagelaten.
Het feit dat hij leningsovereenkomsten liet tekenen door gedaagde is een onvoldoende waarborg.
Op grond van het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat gedaagden hun informatieplicht niet zijn nagekomen, dat zij hebben gehandeld in strijd met de statutaire bepalingen door leningen te verstrekken buiten de statutaire doelstelling van eiseres en dat gedaagde heeft gehandeld met een persoonlijk belang zonder de daarbij geldende waarborgen in acht te nemen.
Deze handelingen leiden er naar het oordeel van de rechtbank toe dat sprake is van onbehoorlijk bestuur.
Ernstig verwijt
De rechtbank is van oordeel dat gedaagden beiden een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onbehoorlijk bestuur.
Zij zal uitleggen waarom en hoe zij tot dat oordeel komt.
De norm ‘ernstig verwijt’ betreft een geobjectiveerde toets die verder wordt ingekleurd aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder andere de aard en ernst van de normschending, de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Voorts geldt de omstandigheid dat een bestuurder heeft gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, als een zwaarwegende omstandigheid die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt (Hoge Raad 29 november 2002, NJ 2003/55).
Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat gedaagden bij de vervulling van hun taak de grenzen van hun bevoegdheid hebben overschreden, hun bevoegdheden niet op deugdelijke wijze hebben aangewend in het belang van eiseres en niet aan de voor hen geldende plichten hebben voldaan die voortvloeien uit de wet, statuten en andere afspraken binnen de rechtspersoon.
Gedaagden hebben hun informatieplicht geschonden, hebben gehandeld in strijd met de statutaire bepalingen die eiseres beogen te beschermen en gedaagde heeft gehandeld met een tegenstrijdig belang.
Gedaagde kan worden verweten dat hij zichzelf heeft bevoordeeld doordat hij geld van eiseres aan zijn eigen onderneming, dan wel ondernemingen waarvan hij bestuurder was, heeft uitgeleend tegen niet zakelijke voorwaarden omdat daar geen (voldoende) zekerheidsrechten voor waren bedongen en geen marktconforme rente is afgesproken.
Hierbij heeft gedaagde de belangen van eiseres niet behartigd en gehandeld in strijd met het statutaire doel van eiseres.
Dit handelen in strijd met het statutaire doel van eiseres merkt de rechtbank aan als een zwaarwegende omstandigheid.
Daar komt nog bij dat gedaagde informatie heeft achterhouden voor de overige aandeelhouders, zelfs nadat zij daar uitdrukkelijk om verzocht hadden.
Verder is niet gebleken dat gedaagde pogingen heeft ondernomen om de verstrekte leningen op te eisen en terug te betalen.
Ook als gedaagde de gevolgen niet heeft beoogd kan dat hem niet helpen, nu inzicht en zorgvuldigheid mag worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is.
Deze omstandigheden tezamen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat gedaagde een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Ten aanzien van de vraag of een ernstig verwijt gemaakt kan worden aan het adres van de overige gedaagde stelt de rechtbank voorop dat de wet uitgaat van collectief bestuur waarvoor de bestuurders een gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen.
Tijdens de onderhavige procedure is gebleken dat gedaagde het bestuur over eiseres feitelijk zelfstandig voerde, dat overige gedaagde zich bij het bestuur van eiseres heeft laten leiden door gedaagde en dat haar rol in wezen beperkt is gebleven tot het op verzoek van gedaagde tekenen van schriftelijke stukken.
Ondanks deze beperkte taak van overige gedaagde is de rechtbank van oordeel dat overige gedaagde een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Toen overige gedaagde haar positie als bestuurder van eiseres aanvaardde had zij zich moeten realiseren dat deze positie verantwoordelijkheden met zich bracht.
Niet alleen tegenover eiseres, maar ook tegenover de overige aandeelhouders van eiseres.
Vooral toen er een verschil van inzicht ontstond tussen de overige aandeelhouders en gedaagde, had overige gedaagde als bestuurder haar verantwoordelijkheid moeten nemen.
Zij had de aandeelhouders of de onderzoeker van de Ondernemingskamer de verzochte informatie kunnen verstrekken.
Iedere keer heeft overige gedaagde er echter voor gekozen om de zaken volledig aan gedaagde over te laten.
Daar komt bij dat zij de leningsovereenkomsten heeft ondertekend waardoor zij ook een actieve bijdrage heeft geleverd aan het verwijtbaar handelen.
Nu overige gedaagde geen omstandigheden heeft aangevoerd die tot het oordeel zouden moeten leiden dat haar i) geen verwijt treft en ii) zij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijk bestuur af te wenden, is de rechtbank van oordeel is dat ook de overige gedaagde een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders, over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, of over een bedrijfsovername, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het vennootschapsrecht, over het ondernemingsrecht, of over bestuurdersaansprakelijkheid, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.