Van onze advocaat ondernemingsrecht. De Hoge Raad heeft op 30 juni 2017 uitspraak gedaan over de verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande rechtspersoon. Geldt de verlengde termijn van artikel 2:23c lid 2 BW jo. artikel 3:320 BW slechts indien de vereffening wordt heropend of loopt de verjaringstermijn zolang de rechtspersoon niet meer bestaat?
Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. Het overwoog daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt:
De grieven betreffen de vraag of de vordering van de bank op de vennootschap is verjaard en daardoor ingevolge artikel 7:853 Burgerlijk Wetboek (BW) de borgtocht is tenietgegaan.
De regeling van artikel 7:853 BW heeft als achtergrond dat als de schuldeiser zijn rechten jegens de hoofdschuldenaar door stilzitten verloren heeft laten gaan, het niet redelijk zou zijn als hij nog wel de borg kan aanspreken. De regresvordering van de borg op de hoofdschuldenaar kan dan immers niet meer geldend gemaakt worden wanneer de hoofdschuldenaar zich op grond van artikel 7:868 BW verweert met de stelling dat de hoofdverbintenis verjaard is.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van de bank op de vennootschap in elk geval opeisbaar was op 6 april 2005, toen de vennootschap failleerde. Indien de verjaringstermijn voor de rechtsvordering zou aflopen gedurende het faillissement van de vennootschap, is deze ingevolge artikel 36 lid 1 Faillissementswet voortgelopen tot zes maanden na afloop van het faillissement. De rechtsvordering kan derhalve niet tijdens het faillissement van de vennootschap verjaard zijn.
Door de opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten is de vennootschap op 2 maart 2006 ontbonden ingevolge artikel 2:19 lid 1 onder c BW. Nu zij op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer had, heeft de vennootschap toen voorts opgehouden te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW). De vordering van de bank op de vennootschap is na 2 maart 2006 wel blijven bestaan en kan, als nog blijkt van het bestaan van een bate, daarop met toepassing van artikel 2:23c lid 1 BW worden verhaald. Om te voorkomen dat in een geval als dit de mogelijkheid van verhaal door verjaring verloren zou gaan, bepaalt artikel 2:23c lid 2 BW dat gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan er een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 3:320 BW is ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen tegen de rechtspersoon. Het feit dat er thans nog geen bate is gebleken maakt dit niet anders. Dat brengt mee dat de verjaringstermijn van de vordering van de bank op de vennootschap tot op heden is voortgelopen. De borgtocht is derhalve niet op grond van artikel 7:853 BW geëindigd.
Aan de grieven ligt de opvatting ten grondslag dat de vordering van de bank op de vennootschap is verjaard, nu niet is gesteld of gebleken dat de bank de verjaring tegenover de vennootschap na 6 april 2005 tijdig heeft gestuit.
De grieven falen, aangezien de verjaringstermijn tegen de niet meer bestaande vennootschap ook zonder stuiting is voortgelopen. Het hof merkt nog op dat nu de advocaat van eiser zich heeft beroepen op verjaring, de rechtbank gehouden was dat verjaringsverweer te toetsen aan de relevante wettelijke regels, waaronder artikel 2:23c BW. Omdat uit de stellingen van de advocaat van eiser voortvloeit dat de vordering van de bank op de vennootschap nog niet kan zijn verjaard, doet niet ter zake of de bank het (onjuiste) standpunt van eiser daarover heeft weersproken.
Het onderdeel klaagt in cassatie dat het hof heeft miskend dat het, zonder dat de vereffening van de vennootschap op de voet van artikel 2:23c lid 1 BW was heropend, niet aan de toepassing van de in artikel 2:23c lid 2 BW genoemde verlengingsgrond kon toekomen. Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat de verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande vennootschap niet kan eindigen. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof ten onrechte niet de stelling van de advocaat van eiser heeft besproken dat Rabobank de stuitingsmogelijkheid van artikel 54 lid 4 Rv heeft laten schieten. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
De vennootschap is ingevolge artikel 2:19 lid 1 onder c BW ontbonden door opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten. Nu de vennootschap op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer had, is zij ingevolge artikel 2:19 lid 4 BW opgehouden te bestaan.
Artikel 2:23c lid 2 BW in verbinding met artikel 3:320 BW geeft een regel voor het tijdstip waarop een verjaringstermijn van een vordering op een rechtspersoon eindigt nadat die rechtspersoon is opgehouden te bestaan.
Uit artikel 2:23c lid 1 BW volgt dat indien na het tijdstip waarop de vennootschap is opgehouden te bestaan, nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen. In dat geval herleeft de vennootschap ter afwikkeling van de heropende vereffening. Uit artikel 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW volgt dat wanneer een verjaringstermijn zou aflopen gedurende het tijdvak waarin de vennootschap had opgehouden te bestaan of binnen zes maanden na heropening van de vereffening, die verjaringstermijn voortloopt totdat zes maanden na die heropening zijn verstreken.
Artikel 2:23c lid 2 BW in verbinding met artikel 3:320 BW geeft een regel voor het tijdstip waarop een verjaringstermijn van een vordering op een rechtspersoon eindigt nadat die rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Die regel veronderstelt dat een lopende verjaringstermijn in elk geval niet afloopt zolang de vereffening van de rechtspersoon niet is heropend op de voet van artikel 2:23c lid 1 BW. Dit brengt mee dat heropening van de vereffening geen vereiste is voor het (voort)lopen van de verjaringstermijn. Om dezelfde reden behoeft een verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande rechtspersoon niet te worden gestuit gedurende de periode dat die rechtspersoon niet meer bestaat.
Het onderdeel doet nog een beroep op Hoge Raad, 6 december 2013, HR:2013:CA3743, NJ 2014, 87. In dat arrest is bepaald dat de verjaring van het invorderingsrecht van de Ontvanger tegen een niet meer bestaande vennootschap gestuit kan worden door betekening van een akte van vervolging op de voet van artikel 54 lid 4 Rv. De vraag of stuiting nodig was om de verjaring te voorkomen, was in die procedure in cassatie niet aan de orde. Nu het hof in de onderhavige procedure terecht heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn ook zonder stuiting tegen de niet meer bestaande vennootschap is voortgelopen, behoefde het hof niet in te gaan op de stelling van de advocaat van eiser dat Rabobank geen gebruik had gemaakt van de stuitingsmogelijkheid van artikel 54 lid 4 Rv.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u vragen over de vereffening van een bedrijf of een onderneming, de verjaring of stuiting van een rechtsvordering of over een borgtocht, belt u dan gerust onze advocaat ondernemingsrecht op 020-3980150.