Van onze advocaat contractenrecht. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 16 mei 2017 uitspraak gedaan over de vraag of de opzegging van een kredietrelatie tussen de bank en een onderneming in strijd was met de zorgplicht van de bank.
In deze zaak staat de vraag centraal of de Rabobank rechtsgeldig gebruik heeft gemaakt van haar contractuele bevoegdheid tot beëindiging van verschillende krediet- en rekening-courant overeenkomsten die bestonden tussen de Rabobank en een aantal van appellanten. Daarbij heeft de rechtbank, gelet op de toepasselijke Algemene bankvoorwaarden (artikelen 2 en 30 ABV) vooropgesteld dat de bank contractueel bevoegd was de kredietrelatie met het concern op te zeggen.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank met juistheid tot uitgangspunt genomen dat de rechtsgeldigheid van een dergelijke opzegging moet worden beoordeeld aan de hand van de overeenkomsten en de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat laatste brengt mee dat de beëindiging door de Rabobank op grond van deze bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (Hoge Raad, 10 oktober 2014, HR:2014:2929).
De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het hierbij gaat om een terughoudende toetsing, waarbij ook gewicht mag worden toegekend aan de zorgplicht van de bank die voortvloeit uit artikel 2 ABV. Op grond daarvan is de Rabobank gehouden bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen en daarbij naar beste vermogen met de belangen van haar cliënt rekening te houden.
Toezicht door de bank bij kredietrelaties
De rechtbank heeft in rechtsoverweging samengevat de volgende feiten en omstandigheden van belang geacht:
- de kredietrelatie tussen de Rabobank en het concern was niet gecompliceerd; de Rabobank had slechts enkele bankrekeningen, twee geldleningen en een bankgarantie verstrekt;
- vast staat dat de Rabobank gehouden was op grond van de Wet Financieel Toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)) cliëntenonderzoek te doen om inzicht te krijgen in de structuur van het concern en in de activiteiten die in de verschillende rechtspersonen plaatsvonden en dat de Rabobank met name ook duidelijk moest krijgen wie de uiteindelijke begunstigde van de betrokken rechtspersonen was;
- aangenomen kan worden dat het de Rabobank op grond van genoemde wetgeving niet was toegestaan een zakelijke relatie aan te gaan of een transactie uit te voeren voor een cliënt, indien dit inzicht niet was verkregen;
- de vragen die de Rabobank heeft gesteld per e-mail dienen tegen deze achtergrond te worden bezien; op dat moment had de Rabobank al enige toelichting gekregen over de structuur van het concern en over de uiteindelijke begunstigde van de rechtspersonen, maar nog niet alle vragen waren afdoende beantwoord en er waren nieuwe vragen gerezen;
- deze vragen dienden er onder meer toe, in het licht van het door artikel 3 Wwft voorgeschreven cliëntenonderzoek, om vast te stellen in hoeverre de genoemde rechtspersonen en of hun activiteiten integer waren; voor het (opnieuw) stellen van die vragen was te meer reden, gelet op het vaststaande feit dat de financieel adviseur van het concern is veroordeeld wegens belastingfraude;
- Artikel 3 Wwft legt een bank de verplichting op om haar zakelijke relaties voortdurend te controleren en dat brengt mee dat zij vragen moet kunnen herhalen;
- de Rabobank heeft het concern ruimschoots de gelegenheid gegeven om de verzochte informatie te verstrekken alvorens de relatie werd opgezegd;
- het concern heeft vervolgens een redelijke termijn gekregen om een andere bank te zoeken;
- niet gesteld of gebleken is van ernstige financiële problemen bij de verschillende rechtspersonen omdat bijvoorbeeld de financieringsbehoefte niet elders ondergebracht kon worden.
De rechtbank heeft op grond van deze feiten en omstandigheden geoordeeld dat de beëindiging van de kredietrelatie met het concern naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar moet worden geacht.
Tegen dat oordeel heeft de advocaat van B zijn grief gericht. Met die grief wordt betoogd dat de feiten en omstandigheden die de rechtbank van belang heeft geacht deels onjuist zijn en dat de vragen die de Rabobank in het kader van een cliëntenonderzoek heeft gesteld dit onderzoek ver te buiten gaan. De Rabobank wist hoe de structuur van het concern in elkaar zat en wie de uiteindelijke begunstigden van de rechtspersonen waren.
Beëindiging van de kredietrelatie onredelijk?
De rechter oordeelde als volgt. Uit de geldende wetgeving volgt dat de Rabobank gehouden was cliëntenonderzoek te doen, waarbij de bank bij concernverhoudingen onder meer moet vaststellen wie de uiteindelijke begunstigden van de tot het concern behorende rechtspersonen zijn. Uit artikel 3:10 jo 3:17 Wft en de daarop gebaseerde regelgeving (onder meer uit artikel 10 Besluit prudentiële regels Wft en artikel 29 Bgfo (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)) blijkt dat de bank verplicht is om procedures en maatregelen vast te stellen ter uitvoering van het in die artikelen bedoelde integriteitsbeleid, waarbij het cliëntenonderzoek een belangrijke component is.
Daarnaast blijkt ook uit artikel 3 Wwft dat de bank cliëntenonderzoek moet verrichten ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme. In artikel 3 lid 2 Wwft staat met zoveel woorden vermeld dat dit onderzoek onder meer dient om de uiteindelijk belanghebbende van de cliënt te identificeren en die identiteit te verifiëren en bij een rechtspersoon op risico gebaseerde en adequate maatregelen te nemen om inzicht te verwerven in de eigendoms-en zeggenschapsstructuur van de cliënt. Uit datzelfde artikel blijkt dat de bank gehouden is een voortdurende controle uit te oefenen op de zakelijke relatie met de cliënt en de tijdens deze relatie verrichte transacties, om te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de bank heeft van de cliënt.
Opzegging kredietrelatie : redelijke termijn en financiële gevolgen
De Rabobank was dus niet alleen bevoegd maar ook wettelijk verplicht periodiek vragen te stellen aan haar cliënt. Dat er al bij eerdere gelegenheden vragen waren gesteld naar de structuur van de onderneming, de eigendomsverhoudingen en de herkomst van het vermogen, doet niet af aan de bevoegdheid van, en de verplichting voor, de Rabobank om dit opnieuw te doen.
Door het weigeren relevante vragen te beantwoorden en daardoor geen inzicht te verschaffen in activiteiten en eigendomsverhoudingen binnen het gehele concern heeft het concern de Rabobank niet in staat gesteld integriteitsrisico’s inzake het concern en de afzonderlijke rechtspersonen in te schatten.
De conclusie is dat de Rabobank geen antwoord heeft gekregen op relevante vragen die zij mocht stellen aan haar cliënt, terwijl de achtergrond van het stellen van die vragen is meegedeeld en het concern voldoende tijd heeft gekregen de gevraagde informatie te leveren. Dit vormt, ook naar het oordeel van het hof, voldoende grond voor de Rabobank om de cliëntrelatie met het concern te willen beëindigen.
Tegen de oordelen van de rechtbank dat het concern na de opzegging een redelijke termijn heeft gekregen om een andere bank te zoeken en dat voorts niet gebleken is van ernstige financiële problemen bij het concern door de opzegging zijn geen afzonderlijke grieven gericht, zodat het hof daar ook vanuit gaat.
Gelet op al deze feiten en omstandigheden is het hof met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het gebruik dat de Rabobank heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot beëindiging van de kredietrelatie, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaard is.
Wilt u de hele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u vragen over een opzegging van een kredietrelatie tussen de bank en een bedrijf of onderneming, belt u dan gerust onze advocaat contractenrecht op 020-3980150.