Van onze advocaat ondernemingsrecht. Op 17 februari 2016 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan over een vordering tot uittreding van een aandeelhouder.

De advocaat van eiseres is van oordeel dat er sedert enkele jaren een onoverbrugbaar verschil van inzicht bestaat tussen eiseres en X enerzijds en gedaagde anderzijds. De advocaat van eiseres stelt dat gedaagde ernstige beschuldigingen heeft geuit in de richting van haar en haar echtgenoot, regelmatig jegens hen is uitgevallen en daarbij met stemverheffing heeft gesproken en uiteindelijk op 8 september 2015 zich dusdanig intimiderend jegens haar heeft gedragen dat ze zich uiteindelijk ziek heeft moeten melden. Gedaagde heeft naar haar oordeel de verhoudingen tussen de aandeelhouders dusdanig op scherp gesteld, dat daardoor in feite de onderneming onbestuurbaar is geworden. Er is sprake van een patstelling. Besluitvorming op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders is niet meer mogelijk, omdat de stemmen staken. Er is een situatie gecreëerd waarin aandeelhouders niet meer met elkaar kunnen samenwerken en de bestuurders niet meer met elkaar willen besturen, hetgeen aan gedaagde te verwijten valt. De belangen van de vennootschap worden hierdoor ernstig geschaad.

Op vorenstaande gronden is eiseres van oordeel dat zij en gedaagde niet beiden langer aandeelhouder van de onderneming kunnen blijven. Eiseres heeft op die grond dan ook gevorderd dat een deskundige wordt benoemd ter bepaling van de waarde van de aandelen en dat primair gedaagde wordt veroordeeld om zijn aandelen over te dragen aan eiseres zoals bepaald in artikel 2: 336 BW of dat gedaagde wordt veroordeeld tot overname van de aandelen van eiseres, zoals uitgewerkt in artikel 2: 343 BW.

Gedaagde is bij monde van zijn advocaat gemotiveerd van oordeel dat zich geenszins de situatie voordoet als bedoeld in de artikelen 2: 336 of 2: 343 BW. Eiseres en hij werken al sedert 1996 probleemloos samen. Pas na de komst van de heer X zijn er wrijvingen ontstaan. Ten onrechte stelt eiseres zich op het standpunt dat de onderneming een sterke groei heeft doorgemaakt sedert en door de komst van X. Ten onrechte suggereert zij dat een vertrek van X desastreus voor de toekomst van de onderneming zou zijn. Nadat gedaagde enige kritiek op X had geuit, trok laatstgenoemde zich verongelijkt terug door zichzelf per 1 februari 2015 non-actief te verklaren. Tot een patstelling binnen de onderneming of een onmogelijkheid tot besluitvorming heeft dit alles niet geleid. Gedaagde heeft op de gehouden aandeelhoudersvergaderingen besluitvorming zeker niet geblokkeerd. Eiseres miskent volgens hem dat de vorderingen die zij instelt meer onderbouwing vragen dan een mogelijke incompatibilité des humeurs. Gedaagde is 71 jaar oud en is van oordeel dat hij niet gedwongen kan worden zijn aandelen te verkopen of die van eiseres te kopen, omdat er enige woordenwisselingen tussen de aandeelhouders hebben plaatsgevonden. Hij concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen.

Uittreding

Eiseres stelt primair een vordering tot uittreding in. Op grond van artikel 2: 343 lid 1 BW kan de aandeelhouder die door gedragingen van een of meer mede–aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, tegen die mede–aandeelhouder een vordering tot uittreding instellen inhoudende dat zijn aandelen overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van artikel 343 a BW worden overgenomen. Anders dan bij de uitstotingsvordering van artikel 2: 336 BW (de subsidiaire vordering van eiseres) wordt voor de uittredingsvordering niet de eis gesteld dat het belang van de vennootschap is geschaad. Zelfs is, naar de rechtbank overweegt, niet vereist dat de gedragingen van de andere aandeelhouder als misdragingen kunnen worden bestempeld.

Dit laat echter onverlet dat de rechtbank zal moeten beoordelen of eiseres door de gedragingen van gedaagde zodanig in haar rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. De rechtbank stelt vast dat de onderneming in feite een familiebedrijf was van de families van eiseres en gedaagde. Na de komst binnen de onderneming van de echtgenoot van eiseres werd het beleid de facto bepaald door 3 leden van de familie. Uit hetgeen partijen in de processtukken hebben aangevoerd en ter comparitie hebben benadrukt, lijkt het erop dat de verhoudingen tussen de beide families in onbalans zijn geraakt, hetgeen zich in toenemende spanningen heeft gemanifesteerd. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de relatie tussen de aandeelhouders eiseres en gedaagde ernstig is verstoord. Dat die verstoring zich ook uitstrekt tot de andere leden van de familie, blijkt uit het feit dat inmiddels X en Y ontslag hebben genomen uit hun functie als bestuurder en mitsdien ook de arbeidsrechtelijke band met de onderneming hebben verbroken.

Niettemin is aan de rechtbank niet gebleken dat de gespannen relatie tussen de beide aandeelhouders heeft geleid tot onjuiste besluiten binnen de vennootschap, tot de onmogelijkheid om besluiten te nemen of tot gedrag dat er op is gericht om de andere aandeelhouder dwars te zitten. Niet is gebleken dat aandeelhouders noodzakelijke informatie aan elkaar hebben onthouden. Het wettelijke uitgangspunt als bepaald in artikel 2: 8 BW dat (ook) aandeelhouders zich jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, lijkt in casu niet geschonden. Van benardheid van eiseres (geen informatie, geen dividend et cetera) blijkt geen sprake, althans is dat door eiseres niet of onvoldoende gesteld dan wel onderbouwd. In feite komt het standpunt van eiseres erop neer dat gedaagde zich verbaal enkele malen onheus heeft uitgelaten en het belang van haar echtgenoot X voor de verdere ontwikkeling van de onderneming miskent alsmede op dusdanige wijze de confrontatie zoekt dat dit tot een gevaar voor de toekomst van de onderneming leidt. Gedaagde erkent dat er spanningen zijn ontstaan, maar hij betwist nadrukkelijk dat hij niet meer als aandeelhouder zou kunnen samenwerken met eiseres of dat spanningen leiden tot belemmering van besluitvorming binnen de onderneming.

De rechtbank acht het hiervoor gestelde onvoldoende om tot toewijzing van de vordering uit hoofde van artikel 2: 343 BW te komen. Toewijzing van de vordering heeft ingrijpende consequenties voor gedaagde, die op 71-jarige leeftijd gedwongen zou worden het volledige aandelenpakket van eiseres te kopen tegen een koopsom die thans nog niet bij benadering vaststaat. Uit productie 5 bij inleidende dagvaarding leidt de rechtbank af dat eiseres een tot 15 februari 2015 geldend voorstel aan gedaagde heeft gedaan om zijn aandelenpakket over te nemen voor een som van € 750.000,-. Gedaagde is toen op dat voorstel niet ingegaan. Inmiddels zou, naar eiseres stelt, de waarde van de aandelen aanzienlijk lager zijn. Niettemin werd in februari 2015 nog van een substantieel bedrag uitgegaan. In ieder geval is de rechtbank van oordeel dat voor het in het leven roepen van deze consequenties, door toepassing te geven artikel 2: 343 BW, meer nodig is dan uitsluitend een spanningsveld als het onderhavige tussen eiseres en gedaagde. En meer dan dat is in deze procedure noch gesteld, noch gebleken.

De primaire vordering van eiseres wordt derhalve niet toegewezen. Beoordeeld moet vervolgens dan ook worden of de subsidiaire vordering tot uitstoting van gedaagde als aandeelhouder, zoals bepaald in artikel 2: 336 BW, voor toewijzing vatbaar is.

Uitstoting

Voor toewijzing van de subsidiaire vordering van eiseres is noodzakelijk dat gedaagde door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Hiervoor in dit vonnis heeft de rechtbank reeds overwogen dat niet is gebleken dat de besluitvorming binnen de onderneming onmogelijk is geworden door het spanningsveld tussen aandeelhouders. Eiseres heeft benadrukt dat zowel haar echtgenoot als haar zoon als bestuurders in feite onmisbaar zijn voor de toekomst van het bedrijf. Naar haar oordeel vormde in zoverre het gedrag van gedaagde een gevaar voor de toekomst van de onderneming, welk gevaar zich kennelijk ook heeft gerealiseerd doordat X en Y uit de onderneming zijn vertrokken. Duidelijk is dat gedaagde een andere visie op het belang van de aanwezigheid van X en Y voor het bedrijf heeft. Wat daar ook van zijn moge, in de procedure is op geen enkele wijze onderbouwd dat de onderneming zou worden benadeeld door vertrek van of X, of gedaagde, in die zin dat dit de resultaten of zelfs het voortbestaan van de onderneming fundamenteel zou bedreigen. Niet is gebleken dat gedaagde als aandeelhouder het initiatief heeft genomen tot het vertrek van X en Y. Het enkele feit van het vertrek van X en Y kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat gedaagde daardoor het belang van de vennootschap heeft geschaad.

Ook met betrekking tot de subsidiaire vordering is niet meer gesteld dan hetgeen hiervoor is beoordeeld. Zoals dat ook met betrekking tot de primaire vordering is overwogen, concludeert de rechtbank dat dan ook onvoldoende is gesteld en gebleken om tot toewijzing van de vordering uit hoofde van artikel 2: 336 BW te komen. Ook de subsidiaire vordering wordt derhalve afgewezen.

Indien U vragen heeft aan onze advocaat over uitkoop van aandeelhouders in het ondernemingsrecht en over uittreding of uitstoting van aandeelhouders belt u dan onze advocaat ondernemingsrecht op 020-7400521 of stelt u hier een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht.