Van onze advocaat ondernemingsrecht. Onlangs heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan over de uitstoting van aandeelhouders en de gedwongen overdracht van aandelen.
De uitstootregeling van artikel 2:336 BW
Naar de voorzieningenrechter de stellingen van partijen begrijpt zijn door de onderneming C 26.999 gewone aandelen en 1 cumulatief preferent aandeel uitgegeven met elk een nominale waarde van € 1,00 en bedraagt het geplaatst kapitaal van de vennootschap daarmee € 27.000,00. Eiseres en gedaagden houden ieder 9.000 aandelen in C. Omdat eiseres ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaft, en aan het vereiste van artikel 2:337 BW dat de statuten van C geen regeling bevatten voor de oplossing van geschillen tussen de aandeelhouders is voldaan, kan zij worden ontvangen in haar op artikel 2:336 BW gegronde vorderingen.
Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 2:336 BW de uitstoting van gedaagden slechts mogelijk is in verband met gedragingen die door hen in hoedanigheid van aandeelhouder zijn verricht en niet voor het niet-nakomen van verplichtingen als bestuurder van de vennootschap of in een andere hoedanigheid. Verder is in dit kader niet van belang of gedaagden het belang van eiseres als aandeelhouder hebben geschaad, het belang van de vennootschap is richtsnoer van de toetsing van het handelen van gedaagden. Alleen indien zij het belang van de vennootschap schaden of hebben geschaad, is plaats voor toewijzing van de op artikel 2:336 BW gestoelde vorderingen.
De door eiseres verlangde uitstoting van gedaagden als aandeelhouders zal niet worden toegewezen. Dit omdat eiseres wenst dat de voorzieningenrechter tevens bepaalt dat aan gedaagden in het kader van deze uitstoting een zeer geringe tegenprestatie van € 1,00 behoeft te worden voldaan voor de overdracht van de aandelen. Deze door eiseres gestelde waarde is op geen enkele wijze onderbouwd en bovendien door gedaagden weersproken.
Voorts gaat eiseres geheel voorbij aan het wettelijk systeem waarbij, indien de vordering tot uitstoting van een aandeelhouder wordt toegewezen, ingevolge artikel 2:339 e.v. BW door de rechter een deskundige moet worden benoemd die de waarde van de aandelen vaststelt die door de uitstoting eisende aandeelhouders moet worden betaald. Benoeming van een deskundige kan op grond van artikel 2:339 lid 3 BW alleen achterwege blijven indien de rechter de prijs van de aandelen zonder meer kan vaststellen omdat daarover overeenstemming bestaat tussen partijen of als de statuten of een overeenkomst een duidelijke maatstaf bevatten voor de bepaling ervan. Omdat over de waarde van de aandelen geen overeenstemming tussen partijen bestaat en een – al dan niet op de statuten of artikel 14 van de participatieovereenkomst gebaseerde – berekening ontbreekt waaruit volgt dat de waarde van de aandelen, ook die van het cumulatief preferente aandeel, op € 1,00 moet worden vastgesteld, kan benoeming van een deskundige niet achterwege blijven. Binnen het bestek van dit kort geding, waarin op korte termijn een uitspraak moet worden gedaan, is er geen ruimte voor een dergelijk deskundigenonderzoek. Bovendien verhoudt de stelling van eiseres dat gedaagden een bodemprocedure aanhangig dienen te maken indien zij een andere waardebepaling van de aandelen wensen of noodzakelijk achten, zich niet met het uitgangspunt zoals dit in artikel 2:339 BW is bepaald.
De uittredingsregel van artikel 2:343 BW
Artikel 2:343 BW strekt er onder meer toe een uitweg te bieden in geval van geschillen tussen aandeelhouders die de samenwerking in een besloten vennootschap ernstig bemoeilijken. In dat verband is voorzien in een regeling van gedwongen overname van aandelen van een aandeelhouder die door gedragingen van een of meer van zijn medeaandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd.
Artikel 2:343 BW regelt in een dergelijk geval de mogelijkheid tot uittreding door een rechterlijk bevel uit te lokken tot overneming van de aandelen van een aandeelhouder, die aldus in een onhoudbare positie is komen te verkeren en die zijn aandelen niet op normale wijze kan verkopen. Aan deze medeaandeelhouders kan onder de in artikel 2:343 BW aangeduide omstandigheden worden bevolen de aandelen van de benard geraakte aandeelhouder over te nemen. Dit bevel kan worden gegeven indien het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van de benard geraakte aandeelhouder kan worden gevergd. Anders dan bij het hiervoor behandelde artikel 2:336 BW, behoeven de gedragingen die gedaagden worden verweten geen gedragingen te betreffen in hun hoedanigheid van aandeelhouder.
In welke hoedanigheid gedaagden zich hebben gedragen en de wijze waarop dit is gebeurd, alsook het antwoord op de vraag of zij de samenwerking in C daarmee ernstig bemoeilijken, behoeft geen beoordeling. Dit is ook het geval waar het de volgens eiseres benarde situatie betreft die meebrengt dat haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Zoals hiervoor is overwogen ontbreekt een onderbouwing van de waarde van de over te dragen aandelen en is voor benoeming van een deskundige geen plaats in kort geding. Benoeming van een deskundige is op grond van artikel 2:343 lid 2 voorgeschreven op de wijze als bepaald in artikel 2:339 BW, zodat dit niet op de door eiseres voorgestane wijze kan geschieden. De voorzieningenrechter is evenmin in staat zelf de waarde van de aandelen bepalen omdat eiseres daartoe onvoldoende, met bescheiden onderbouwde, feiten heeft gesteld en overeenstemming tussen partijen ontbreekt.
Indien U vragen heeft aan onze advocaat over een aandeelhoudersgeschil in een onderneming en over de uitkoop van aandeelhouders belt u dan onze advocaat ondernemingsrecht op 020-7400521 of stelt u hier een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht.