Van onze advocaat ondernemingsrecht. Op 19 april 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan over de uitleg van de statuten van een vennootschap in verband met een geschil tussen de vennoten van de onderneming.

Bij de uitleg van overeenkomsten heeft zich in de jurisprudentie een spectrum ontwikkeld, waarbij zich aan de ene kant de (meer objectieve) CAO-norm bevindt (waarbij de bewoordingen van een tekst, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn) en aan de andere kant de (meer subjectieve) Haviltex-norm (waarbij het aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten).

Uitleg van de statuten van de vennootschap

In het arrest HR 20 februari 2004,NJ 2005/493 (DSM/Fox) overweegt de Hoge Raad als volgt: “Tussen beide normen bestaat geen tegenstelling, maar een vloeiende overgang. Enerzijds heeft ook bij toepassing van de Haviltexnorm te gelden dat, indien de inhoud van een overeenkomst in een geschrift is vastgelegd de argumenten voor een uitleg van dat geschrift naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen in de mate waarin de daarin belichaamde overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift en een eventueel daarbij behorende toelichting niet kunnen kennen en het voor de opstellers voorzienbare aantal van die derden groter is, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen. Anderzijds leidt de CAO-norm niet tot een louter taalkundige uitleg”.

In beginsel kan aangenomen worden dat voor statuten naar hun aard, onder meer vanwege het feit dat de inhoud daarvan niet alleen voor de oprichters van de vennootschap maar ook voor derden relevant is, geldt dat zij zich in het genoemde spectrum die de vloeiende overgang tussen de Haviltexnorm en de CAO-norm weergeeft, bevinden in het gebied waarin de uitleg op basis van de CAO-norm prevaleert, zodat objectieve maatstaven bij de uitleg van de statuten in beginsel centraal dienen te staan.

In dit geval gaat het om de samenwerking tussen twee personen die in de vorm van een vennootschap gegoten werd, waarbij beide oprichters betrokken waren bij de inrichting van de vennootschap, inclusief de statuten, terwijl het onderhavige geschil in feite ook tussen deze oprichters wordt uitgevochten. Bij de uitleg van de statuten komt dan weliswaar groot gewicht toe aan de (meest voor de hand liggende) taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen die partijen destijds hebben gekozen voor de vastlegging van hun afspraken in de statuten van de vennootschap, maar kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Hoge Raad, 5 april 2013,BY8101 inzake Lundiform/Mexx).

Het hof oordeelt op basis van het voorgaande als volgt. Uit de door beide partijen geschetste achtergronden en uit de bij memorie van grieven overgelegde stukken door de advocaat uit de tijd van de oprichting (waarbij de verschillende betrokken vennootschappen steeds terug te voeren zijn op de personen A en geïntimeerde B blijkt genoegzaam dat de vennootschap het vehikel was voor de samenwerking van die twee oprichters en dat bij de oprichting van de vennootschap in 2001 beoogd werd die samenwerking op basis van gelijkwaardigheid van beide partners te laten plaatsvinden, waarbij besluiten in gezamenlijk overleg zouden worden genomen. Dit blijkt ook uit het feit dat de beide oprichters (via de direct en indirect door hen bestuurde vennootschappen) bestuurders van de vennootschap werden en ieder 50 % van de prioriteitsaandelen van de vennootschap kregen, waarbij in artikel 17 en 18 van de statuten is vastgelegd dat de prioriteitsaandeelhouders het aantal directeuren vaststellen en de directeuren worden benoemd uit een voordracht van de prioriteit van ten minste twee personen. Nadat de samenwerking (tussen de twee oprichters) was verstoord is C in 2011 teruggetreden als bestuurder. Niet gesteld of gebleken is dat C in de periode vanaf haar terugtreden tot aan de eerste algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) pogingen heeft ondernomen om via overleg binnen de prioriteit tot een voordracht van nieuwe bestuurders te komen.

Uit de artikelen 17 en 18 van de statuten, in onderlinge samenhang gelezen, blijkt dat de AVA pas bevoegd is tot een besluit tot benoeming van een bestuurder nadat de prioriteit heeft bepaald dat een vacature bestaat en nadat de prioriteit een voordracht voor de invulling van die vacature heeft gedaan. De belangrijke rol van de prioriteitsaandeelhouders valt te verklaren uit de achtergronden van hun samenwerking, zoals hiervoor geschetst. Het stond de AVA daarom niet vrij op grond van artikel 18 lid 2 van de statuten tot benoeming van een tweede directeur over te gaan. Nu de AVA tot de benoeming van B is overgegaan zonder dat de prioriteit het aantal directeuren heeft vastgesteld en zonder dat de prioriteit een voordracht heeft gemaakt, is gehandeld in strijd met de artikelen 17 lid 2 en 18 lid 1 van de statuten. Het benoemingsbesluit is daarmee nietig op grond van artikel  2:14 BW.

Indien U vragen heeft aan onze advocaat over een aandeelhoudersgeschil in een onderneming of over de statuten van een onderneming belt u dan onze advocaat ondernemingsrecht op 020-7400521 of stelt u hier een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht.