Van onze advocaat ondernemingsrecht. Op  6 april 2016 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan over de aansprakelijkheid van een bestuurder van een kinderdagverblijf.

Voor de beoordeling van de primaire grondslag (artikel 2:248 BW) is het volgende van belang. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in dat artikel is slechts sprake indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld (Hoge Raad, 8 juni 2001, NJ 2001,454).

Voor aansprakelijkheid op de voet van artikel 2:9 BW (subsidiaire grondslag) is vereist dat aan de (middellijk) bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval sprake is van een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle (relevante) omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult (Hoge Raad, 10 januari 1997, NJ 1997, 360).

Voor aansprakelijkheid van een bestuurder jegens een schuldeiser (of de curator als deze opkomt voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers) op grond van artikel 6:162 BW (meer subsidiaire grondslag) is grond indien de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, maar slechts waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. (Hoge Raad, 8 december 2006, NJ 2006/659).

Naar het oordeel van de rechtbank vormen de feiten en omstandigheden onvoldoende grondslag voor aansprakelijkheid ex artikel 2:248 BW, artikel 2:9 BW of artikel 6:162 BW. De rechtbank stelt vast dat gedaagden naar aanleiding van de geconstateerde overtredingen hebben ingegrepen en actief hebben gestuurd op oplossing van de gerezen problemen. Toen bleek dat de aanvankelijk gekozen aanpak niet afdoende was, zijn gedaagden overgestapt naar een andere werkwijze en zijn zij ingrijpende maatregelen niet uit de weg gegaan. Daarbij hebben zij expertise van een derde ingeroepen.

De omstandigheid dat de gekozen aanpak onvoldoende effectief is gebleken maakt niet dat gedaagden hebben gehandeld zoals geen redelijk denkend bestuurder zou doen of dat hen een (persoonlijk) ernstig verwijt treft. Ook de inschatting van zowel de curator als gedaagden dat het KDV (wellicht) was blijven bestaan als gedaagden meteen na de overname een interim-manager hadden aangesteld die strikt had toegezien op (toepassing van) het beleid van het KDV, maakt niet dat aan gedaagden een ernstig verwijt kan worden gemaakt of dat zij hebben gehandeld zoals geen redelijk denkend bestuurder zou doen. Daarvoor moeten immers, zoals hiervoor overwogen, alle omstandigheden van het geval worden beschouwd en vooral ook het concrete handelen of nalaten van gedaagden worden betrokken.

De stelling dat gedaagden over geen of onvoldoende kennis en ervaring beschikten om een KDV te exploiteren leidt evenmin tot een ander oordeel. Het is juist dat gedaagden zich ter disculpatie niet kunnen beroepen op een gebrek aan kennis en ervaring, maar voor het oordeel of zij als bestuurder aansprakelijk zijn moet vooral worden gelet op het concrete handelen of nalaten van de bestuurder in kwestie. In dit geval kan niet gesteld worden dat gedaagden hebben nagelaten om in te grijpen toen de situatie daarom vroeg of dat hun ingrijpen zodanig slecht was afgestemd op de gerezen situatie dat geen redelijk denkend bestuurder die aanpak zou hebben gekozen. De stelling van de curator dat gedaagden in hun aanpak aanvankelijk ten onrechte hebben vertrouwd op de expertise en het handelen van mevrouw A, maakt dat niet anders. Zij hebben immers een ervaren vestigingsmanager, die het kinderdagverblijf zonder noemenswaardige problemen leidde, ter ondersteuning van mevrouw A aangesteld. De curator heeft betwist dat de heer A het kinderdagverblijf probleemloos leidde omdat de Toezichthouder in juli 2013 enkele tekortkomingen heeft geconstateerd. De enkele omstandigheid dat de Toezichthouder op enig moment een aantal tekortkomingen heeft geconstateerd maakt, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, echter niet dat sprake is van noemenswaardige problemen in de bedrijfsvoering.

Indien U vragen heeft aan onze advocaat over bestuurdersaansprakelijkheid belt u dan onze advocaat ondernemingsrecht op 020-7400521 of stelt u hier een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht

.