Van onze advocaat ondernemingsrecht. Op 6 april 2016 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan over een ex-vennoot die vooruitlopend op de verdeling van het vof-vermogen haar aandeel vordert in een vordering op een crediteur dan wel deelgenoot van de vennootschap onder firma (vof).
De advocaat van eiseres vordert van K betaling aan zichzelf van een bedrag van € 35.659,–Dit betreft volgens eiseres haar aandeel in de vordering van de vennootschap op K. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of eiseres gerechtigd is een dergelijke vordering jegens K in te stellen. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de vordering van de vennootschap op K behoort tot de vennootschappelijke goederengemeenschap. Vast staat verder dat de vennootschap is ontbonden, maar dat de verdeling van de vennootschappelijke goederengemeenschap nog niet heeft plaatsgevonden. De advocaat van eiseres vordert die verdeling ook niet in deze procedure. Eiseres en gedaagde zijn dus samen deelgenoten in de onverdeelde gemeenschap. Deelgenoten in een gemeenschap hebben één gezamenlijk vorderingsrecht op de schuldenaren van die gemeenschap (artikel 6:15 lid 2 BW). Dit sluit uit dat deelgenoten voor zichzelf een rechterlijke uitspraak kunnen verlangen ten aanzien van de gehele of een gedeelte van de vordering (Hoge Raad, 5 maart 1999, NJ 1999, 383). Eiseres is weliswaar op grond van artikel 3:171 BW bevoegd om onafhankelijk van de andere deelgenoot een rechtsvordering ten behoeve van de gemeenschap in te stellen, maar hiervoor is wel vereist dat een deelgenoot optreedt voor de gezamenlijke deelgenoten. Hiervan is in dit geval geen sprake, nu eiseres betaling in privé vordert van een (gedeelte van een) vordering die de vennootschap toekomt. Dit betekent dat eiseres niet-ontvankelijk is in het door haar van K gevorderde.
De advocaat van eiseres heeft voorts gevorderd dat K haar gehele boekhouding en financiële administratie van het jaar 2012 aan haar ter beschikking stelt. Eiseres heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat zij met deze boekhouding kan vaststellen of de jaarrekening van de vennootschap van 2012 juist is en daarmee wat haar als eigen vermogen binnen de vennootschap toekomt. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
In artikel 843a Rv is een zogenoemde exhibitieplicht opgenomen. Ingevolge dit artikel kan hij die daarbij een rechtmatig belang heeft, op zijn kosten, inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden van degene die deze bescheiden tot zijn beschikking heeft. Eiseres heeft de omvang van de vordering van de vennootschap op K niet betwist. Evenmin heeft zij verdeling van de vennootschap gevorderd. Mede in het licht hiervan valt zonder toelichting, die ontbreekt, niet in te zien welk rechtmatig belang eiseres heeft bij de door haar gevraagde inzage in de financiële gegevens van K over het jaar 2012. Meer in het bijzonder valt niet in te zien waarom eiseres de financiële gegevens van K nodig heeft om de jaarrekening van de vennootschap op juistheid te controleren. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.
De advocaat van eiseres vordert van gedaagde van een bedrag van € 35.659,– aan zichzelf in privé. Dit betreft volgens eiseres haar aandeel in de vordering van de vennootschap op K. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of eiseres gerechtigd is een dergelijke vordering jegens gedaagde in te stellen. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
Eiseres vordert van gedaagde betaling van haar eigen aandeel in de vordering die de vennootschap heeft op K. Zoals hierboven overwogen, zijn eiseres en gedaagde samen deelgenoten in de thans nog onverdeelde gemeenschap waartoe deze vordering behoort. Uit artikel 3:171 BW alsook uit het eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad van 5 maart 1999 volgt dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Deze bepaling ziet echter slechts op vorderingen tegen derden en niet op rechtsvorderingen tegen een andere deelgenoot. Dergelijke vorderingen dienen op de voet van artikel 3:184 BW en 185 BW bij de verdeling van de gemeenschap aan de orde te komen (Hoge Raad 8 september 2000, NJ 2000, 604). Eiseres vordert bovendien niet veroordeling van gedaagde tot betaling aan de gemeenschap, maar aan zichzelf. Eiseres procedeert derhalve niet ten behoeve van de vennootschap. Artikel 3:171 BW biedt geen mogelijkheid om een dergelijke vordering in te stellen. Eiseres is derhalve niet-ontvankelijk in door haar van gedaagde gevorderde.
De advocaat van eiseres vordert verder van gedaagde betaling aan zichzelf van een bedrag van € 5.081,–. Aan deze vordering heeft eiseres] ten grondslag gelegd dat gedaagde inkomsten aan de vennootschap heeft onthouden door haar nevenverdiensten niet in de vennootschap in te brengen en daarmee tekortgeschoten is in de nakoming van de vennootschapsovereenkomst, althans onrechtmatig heeft gehandeld. Als deze stelling juist zou zijn, zou de vennootschappelijke goederengemeenschap een (nog te verdelen) vordering op gedaagde hebben. Derhalve strekt ook deze vordering van eiseres tot veroordeling van een mededeelgenoot tot betaling aan zichzelf van een deel van een vordering die de vennootschap toekomt. Zoals hiervoor al is overwogen, kan eiseres niet ontvangen worden in een dergelijke vordering.
De advocaat van eiseres vordert verder dat gedaagde opgave doet van door haar gedurende de vennootschap verkregen inkomsten uit nevenwerkzaamheden. Hierover overweegt de rechtbank het volgende. Vast staat dat de verdeling van de vennootschappelijke goederengemeenschap nog niet heeft plaatsgevonden en evenmin door eiseres is gevorderd. In het kader van de verdeling zal de vraag moeten worden beantwoord of gedaagde een schuld aan de gemeenschap heeft die op de voet van artikel 3:184 BW bij de verdeling aan gedaagde moet worden toegerekend. Bij deze stand van zaken heeft eiseres onvoldoende onderbouwd welk rechtmatig belang zij heeft bij de door haar gevraagde opgave van de neveninkomsten van gedaagde in. Deze vordering zal de rechtbank derhalve afwijzen.
Indien U vragen heeft aan onze advocaat over de verdeling van een vennootschappelijk vermogen van een onderneming of over de exhibitieplicht van artikel 843a BW belt u dan onze advocaat ondernemingsrecht op 020-7400521 of stelt u hier een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht.