Van onze advocaat ondernemingsrecht. Op  31 maart 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan over een bevel aan een vennootschap tot inzage van documenten die informatie bevatten over een aandelenprijs in een openbaar bod.

Artikel 2:351 lid 1 BW bepaalt, toegesneden op het onderhavige geval, dat de onderzoeker gerechtigd is tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van X (waaronder ook notulen van vergaderingen, begrotingen, correspondentie en de geautomatiseerde of in de computer opgeslagen bestanden), waarvan hij de kennisneming tot een juiste vervulling van zijn taak nodig acht, dat de bezittingen van X desgevraagd aan de onderzoeker moeten worden getoond en dat de bestuurders, de commissarissen, alsmede degenen die in dienst zijn van X, verplicht zijn desgevraagd alle inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek. Artikel 2:352 lid 1 BW bepaalt dat wanneer aan de onderzoeker wordt geweigerd de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te raadplegen of zich de bezittingen te doen tonen, de raadsheer-commissaris op verzoek van de onderzoeker de bevelen geeft die de omstandigheden nodig maken.

Bij de beoordeling van een verzoek als bedoeld in artikel 2:352 lid 1 BW geldt als uitgangspunt dat het aan de onderzoeker is overgelaten te bepalen welke informatie hij dienstig acht ten behoeve van zijn onderzoek en dat degenen die bij de vennootschap zijn betrokken, verplicht zijn hieraan hun medewerking te verlenen. Een grond om geen toegang te verlenen tot informatie die zich bij de vennootschap bevindt, kan zijn dat de onderzoeker zich daarmee buiten de grenzen van het gelaste onderzoek begeeft. Daarvan is sprake indien het voor de onderzoeker bij voorbaat duidelijk moet zijn dat de verzochte informatie in redelijkheid niet kan bijdragen tot zijn onderzoek.

De raadsheer-commissaris is van oordeel dat het informatieverzoek van de onderzoeker de grenzen van de onderzoeksopdracht niet te buiten gaat. Gelet op de reikwijdte van het bevolen onderzoek zoals weergegeven in het dictum van de beschikking van 22 juli 2014, gelezen in samenhang met de overwegingen waarop die beslissing berust, heeft de onderzoeker het op alleszins begrijpelijke gronden tot zijn taak gerekend te beoordelen of het proces van prijsvorming van het door A in 2013 uitgebrachte bod op de aandelen van de minderheidsaandeelhouders in X vanuit vennootschapsrechtelijk perspectief correct verlopen is. Het is voorts begrijpelijk dat de onderzoeker meent dat informatie over de verkoop aan F door B c.s. van hun aandelenbelang in A, in het bijzonder de daarbij overeengekomen aandelenprijs, relevant kan zijn voor zijn onderzoek. Immers, niet is uitgesloten dat die informatie licht kan werpen op de fairness van het openbaar bod in 2013 van A op de aandelen van de minderheidsaandeelhouders in X, en meer concreet bijvoorbeeld op de gedragingen van X rondom dat openbaar bod en op de vraag of en hoe de transactie en de inkoop van eigen aandelen door X invloed hebben gehad op dat openbaar bod. Dat, zoals X heeft gesteld, de transactie met F de aandelen in A betreft en niet de aandelen in X waarop het bod in 2013 betrekking had, doet daar niet aan af, mede gelet op het feit dat A een (indirect) door B gecontroleerde vennootschap is, opgericht met als doel het verkrijgen en houden van alle geplaatste aandelen in het kapitaal van X. Bij al het voorgaande is in aanmerking genomen dat voor toewijzing van een verzoek als hier aan de orde niet vereist is dat op voorhand vaststaat dat de gevraagde informatie relevant is; voldoende is dat de onderzoeker redelijkerwijs kan menen dat de verzochte informatie relevant kan zijn. De vraag of en zo ja in welke mate de verzochte informatie daadwerkelijk van belang is voor de beoordeling van het beleid een gang van zaken van X, kan bij de beoordeling van een verzoek op de voet van artikel 2:355 BW aan de orde komen.

Indien U vragen heeft aan onze advocaat over de bevoegdheden van de ondernemingskamer of over het openbare bod belt u dan onze advocaat ondernemingsrecht op 020-7400521 of stelt u hier een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht.