Van onze advocaat aandeelhouder. De Rechtbank Rotterdam heeft op 21 juni 2017 uitspraak gedaan over de vraag of onrechtmatig was gehandeld jegens de minderheidsaandeelhouder door de verkoop van aandelen.

Onrechtmatig handelen door verkoop van aandelen?

De advocaat van C grondt haar vordering op onrechtmatige daad. C stelt daartoe, kort weergegeven, dat M welbewust haar meerderheidsbelang in TCN heeft gebruikt om de aandelen in TOP voor slechts € 1,00 te verkopen aan vennootschappen die gelieerd waren aan M. Door deze aandelenoverdracht behoefde M de winst uit het vastgoedproject te Luxemburg, niet met C te delen. Ter comparitie heeft C verklaard dat de vordering niet (mede) is gebaseerd op artikel 2:23b lid 1 BW, zodat deze grondslag geen bespreking meer behoeft.

Als meest verstrekkende verweer heeft M aangevoerd, dat de vordering inmiddels is verjaard. De aandelen in TCN zijn verkocht op 14 juni 2007 en de vordering die is gebaseerd op de onrechtmatigheid van deze aandelenoverdracht is niet tijdig, te weten binnen een termijn van vijf jaren na 14 juni 2007, gestuit.

C wist na ontvangst van de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van 26 mei 2007 dat de aandelen zouden worden verkocht. De verjaringstermijn heeft daarmee op 26 mei 2007 een aanvang genomen. Voorts stelt M dat C op 31 december 2008 moet hebben geweten dat de verkoop van de aandelen daadwerkelijk had plaatsgevonden, omdat dit uit de jaarrekening blijkt. Daarmee is de verjaringstermijn in ieder geval op 31 december 2008 aangevangen. M stelt zich primair op het standpunt dat de stuitingsbrief van 17 september 2013 te laat is, subsidiair dat de stuiting niet ziet op de onderhavige vordering maar op de in de brief expliciet vermelde vermeende aanspraken van C op M.

Volgens C is er geen sprake van verjaring. Zij is pas sinds eind 2014, begin 2015 op de hoogte van wat er vanaf mei 2007 precies is gebeurd. Na intensief onderzoek is C er uiteindelijk achter gekomen dat de aandelen eerst aan M (€ 0,60) zijn overgedragen. Drie maanden daarna heeft M haar aandelenpakket voor € 600.000,00 verkocht en heeft M 18% van haar aandelen voor € 180.000,00 verkocht. Vervolgens vond op 29 augustus 2008 een aandelenoverdracht plaats aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid T B.V. tegen een voor C onbekende verkoopprijs. Uit de jaarstukken van desbetreffende vennootschappen is echter af te leiden dat liquide middelen in totaal € 8.304.638,00 zijn toegenomen. De vordering van C bedraagt om deze reden 17% van laatstgenoemd bedrag, te weten € 1.411.788,00.

Verjaring bij onrechtmatige daad

De rechtbank overweegt dat op deze vordering, voortvloeiend uit onrechtmatige daad, een verjaringstermijn van vijf jaren van toepassing is. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:310 BW begint deze verjaringstermijn te lopen op de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.

Volgens vaste rechtspraak dient voormelde eis aldus te worden opgevat dat het hier gaat om daadwerkelijke bekendheid en volstaat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet. In het arrest van 31 oktober 2003 (HR:2003:AL8168) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dat erop neerkomt dat de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen.

Daarvan is sprake als de benadeelde voldoende zekerheid, die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn, heeft verkregen dat er schade is die is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van betrokkene. Niet noodzakelijk is dat zoveel informatie beschikbaar is dat een dagvaarding kan worden opgesteld. Dit betekent evenmin dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is (HR 20 februari 2004, HR:2004:AN8903). Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden (HR 14 november 2014, HR:2015:3240). Zie voor het voorgaande ook de recente uitspraak van de Hoge Raad van 31 maart 2017 (HR:2017:552).

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op verjaring slaagt. Uit de brief van C van 23 mei 2007 blijkt dat C op de hoogte was van het voornemen om de aandelen in TCN voor een bedrag van € 1,00 te verkopen. C heeft in deze brief vermeld dat zij niet akkoord ging met de voorgenomen aandelenoverdracht. In de daaropvolgende algemene vergadering van aandeelhouders van 26 mei 2007 is C niet verschenen. Vervolgens is in die vergadering van aandeelhouders het besluit tot de verkoop van de aandelen genomen. Dat staat in de notulen van de vergadering van 26 mei 2007 vermeld. Deze notulen zijn, tezamen met een uitnodiging voor de volgende aandeelhoudersvergadering, aan C toegestuurd per brief van 1 juni 2007.

Uit de conclusie van antwoord zijdens M blijkt, dat deze brief zowel per fax als per e-mail is toegezonden. Dat C deze correspondentie heeft ontvangen en hiervan kennis heeft genomen, blijkt uit de daaropvolgende vergadering van 20 juni 2007 waarvoor zij zich schriftelijk heeft afgemeld. In die notulen staat expliciet vermeld dat de aandelenoverdracht op 14 juni 2007 is geëffectueerd. Ook laatstgenoemde notulen van de vergadering van 20 juni 2007 zijn aan C per brief en e-mail op 27 juni 2007 verzonden. Tevens is bij conclusie van antwoord zijdens M een e-mail gevoegd, waaruit blijkt dat C deze e-mail op 27 juni 2007 om 14.31 uur heeft gelezen.

De geschetste gang van zaken leidt de rechtbank tot de conclusie dat C in ieder geval op 27 juni 2007 op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat de aandelen inmiddels waren verkocht voor € 1,00. C heeft zich op dat moment moeten realiseren dat deze overdracht de thans in rechte gevorderde schade voor C met zich bracht. Dit ligt besloten in de kennis en mate van betrokkenheid van C in het project. C was immers middellijk aandeelhouder in TOP en de enig bestuurder van C, en was in verregaande mate betrokken bij het project. Conform de aandeelhoudersovereenkomst hield hij zich bezig met de acquisitie, onderhandelingen, en inbreng van marktkennis, public relations en accountmanagement van alle projecten van TCN. Dat hij van de hoed en de rand wist, blijkt onder meer uit de pleitaantekeningen van C van de comparitie waarin is gesteld dat in het TOP-project alles volgens plan verliep en dat, ook in juni 2007, bij alle partijen bekend was dat het project een succes zou worden.

Uit deze omstandigheden kan niet anders worden afgeleid dan dat C toen al wist dat de aandelenoverdracht voor een koopprijs van € 1,00 nadelig voor haar was gelet op de omvang en de stand van zaken van het project. Dat zij zich dit ook realiseerde blijkt ook uit de concreetheid van de brief van 23 mei 2007, waarin zij zich duidelijk verzet tegen de voorgenomen aandelenoverdracht: C zag perspectieven om het project te doen slagen. Niet van belang is dat C op dat moment zich niet of onvoldoende van de precieze omvang van de schade een voorstelling kon maken (omdat de aandelen pas later voor hogere bedragen zijn doorverkocht). Kennis van de precieze omvang van de schade is immers niet vereist voor het aanvangen van de verjaringstermijn. Voldoende is de bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke personen. Aan dat laatste vereiste is ook voldaan, nu C immers wist dat het haar medeaandeelhouders in TCN waren die het besluit tot verkoop van de aandelen in TOP hadden genomen.

Stuiting van de verjaring?

Ter zake van een mogelijke stuiting overweegt de rechtbank als volgt. C heeft ten eerste gesteld dat de kwestie in ieder geval nooit vijf jaar onbesproken is geweest. Dit is echter onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van stuiting. Voorts heeft C zich beroepen op de stuitingsbrief van 17 september 2013. Echter, nu deze brief meer dan vijf jaren na de aanvang van de termijn, op 27 juni 2007, is verzonden, heeft deze brief de verjaring niet gestuit.

Nu C na 27 juni 2007 een termijn van vijf jaren heeft laten verlopen voordat hij een vordering in rechte heeft ingesteld, is haar vordering inmiddels is verjaard.

Voor zover de advocaat van C heeft gesteld dat de bestuurders onrechtmatig jegens C hebben gehandeld door het aandelenpakket van C van 17% op 14 juni 2007 te verkopen, overweegt de rechtbank dat op 14 juni 2007 niet de aandelen in TCN, maar de aandelen in TOP zijn overgedragen. De aandelen in TCN heeft C tot aan de liquidatie van TCN in 2009 behouden. Van enige onrechtmatigheid, dan wel beschikkingsonbevoegdheid, bij een overdracht van aandelen in TCN is derhalve geen sprake nu deze niet heeft plaatsgevonden. Uit de pleitnotities van de advocaat van C leidt de rechtbank overigens af dat C deze stelling niet langer aan haar vordering ten grondslag heeft willen leggen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering uit onrechtmatige daad voor afwijzing gereed ligt.

Wilt u de gehele uitspraak lezen? Klik dan hier.

Heeft u vragen over aandeelhouders, over de positie van de minderheidsaandeelhouder, over de geschillenregeling in het ondernemingsrecht of over de uitkoop of uitstoot van aandeelhouders, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.