Van onze advocaat ondernemingsrecht. Onlangs heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan over een vordering tot uittreding bij een aandeelhoudersgeschil.
Op grond van artikel 2:343 lid 1 BW kan de aandeelhouder die door gedragingen van één of meer medeaandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd tegen de medeaandeelhouders een vordering tot uitreding instellen, inhoudende dat zijn aandelen worden overgenomen.
Ter onderbouwing van haar vordering stelt eiser het volgende. Vanaf begin 2013 bestaat tussen eiser en gedaagde geen vruchtbare samenwerking meer. Hierdoor is de onderneming A onbestuurbaar. Doordat eiser en gedaagde als bestuurders enkel gezamenlijk bevoegd zijn A te vertegenwoordigen, staken de stemmen over ieder besluit. Om die reden is nog geen dividenduitkering gedaan en is de jaarrekening over 2013 nog niet vastgesteld. Daarnaast traineert gedaagde betalingen van A aan eiser en keert gedaagde ten onrechte gelden van A aan zichzelf uit. Verkoop door eiser van haar aandelen in A aan een derde is gelet erop dat de activiteiten in de vennootschap worden ontplooid door de aandeelhouders zelf geen reële optie.
Gedaagde betwist dat aan de vereisten is voldaan die artikel 2:343 BW aan een vordering tot uittreding stelt. Volgens gedaagde verloopt de samenwerking tussen eiser en gedaagde stroef, omdat eiser van augustus 2011 tot en met mei 2012 geen en vervolgens slechts parttime consultancywerkzaamheden heeft verricht, terwijl wel een volledig salaris werd ontvangen. Daarnaast heeft eiser haar administratieve taken verwaarloosd, in ieder geval vanaf het moment dat eiser in 2013 naar Duitsland is verhuisd.
De vordering tot uittreding
De vordering tot uittreding van artikel 2:343 BW biedt een uitweg aan de aandeelhouder die door gedragingen van zijn medeaandeelhouder zozeer in zijn positie wordt bekneld of benard dat voortzetting van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. De gedachte van de wetgever is dat een dergelijke aandeelhouder onder omstandigheden aan zijn onhoudbaar geworden positie een einde moet kunnen maken. Hoewel voor toewijzing van een vordering van een aandeelhouder op grond van artikel 2:343 BW niet is vereist dat de medeaandeelhouder zich heeft misdragen geldt wel de voorwaarde dat de rechten of belangen van de aandeelhouder door gedragingen van de medeaandeelhouder worden geschaad. De stelling van eiser dat voor toewijzing volstaat dat A thans geen activiteiten ontplooid en partijen niet tot een redelijke oplossing kunnen komen, is derhalve niet juist.
De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden niet volgt dat eiser door gedragingen van gedaagde in haar rechten is geschaad. Volgens eiser heeft de weigerachtige houding van gedaagde ertoe heeft geleid dat partijen niet tot een oplossing kunnen komen maar dit is door gedaagde gemotiveerd betwist. Volgens gedaagde was en is eiser slechts uit op ontbinding van de vennootschap en verdeling van het vermogen. Gedaagde heeft terecht aangevoerd dat uit het feit dat hij, evenals eiser, voorwaarden aan een eventuele koop van de aandelen of de activa stelt (zoals de voorwaarde dat daarbij ook een concurrentiebeding moet worden overeengekomen) niet volgt dat daardoor de belangen van eiser worden geschaad.
Er is dus geen sprake van een voor eiser onhoudbare situatie die is toe te rekenen aan gedragingen van gedaagde of een door hem ingenomen onredelijke weigerachtige houding. Evenmin is gebleken dat eiser zich in een benarde of beknelde positie bevindt. Eiser en gedaagde houden elk 50% van de aandelen en eiser is net als gedaagde nog steeds bestuurder van de onderneming (ondanks het feit dat eiser in 2013 naar Duitsland is verhuisd en hij zich sindsdien niet meer met het bestuur en de administratie van de vennootschap bezig houdt).
In die situatie biedt artikel 2:343 BW naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag om gedaagde te dwingen de aandelen van eiser over te nemen. De op artikel 2:343 BW gegronde vordering van eiser zal derhalve worden afgewezen.
Indien U vragen heeft aan onze advocaat over een aandeelhoudersgeschil in een onderneming en over de geschillenregeling en de uitkoop van aandeelhouders belt u dan onze advocaat ondernemingsrecht op 020-7400521 of stelt u hier een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht.