De Advocaat-Generaal bij het Parket bij de Hoge Raad heeft op 2 oktober 2020 de opleveringsverplichtingen bij aanneming van werk besproken.

In deze zaak is in geschil of het werk is opgeleverd en de rechtsvorderingen op de aannemer wegens een gebrek in het werk zijn verjaard.

Volgens de rechtbank is dit het geval, volgens het hof niet.

Contractenrecht. Aanneming van werk. Oplevering. Gebrek. Verjaring? Klachtplicht. Verjaring?

De A-G concludeert als volgt.

De aannemer is gehouden om het werk tot stand te brengen en op te leveren (art. 7:750 lid 1 BW). Over de oplevering bepaalt art. 7:758 lid 1 BW:

“Indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, wordt de opdrachtgever geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Na de aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd.”

Na oplevering is het werk voor risico van de opdrachtgever (art. 7:758 lid 2 BW) en is de aannemer ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken (art. 7:758 lid 3 BW).

Voorts is de oplevering van belang voor de verjaringstermijn.

In de literatuur bestaat discussie over de vraag of er onderscheid dient te worden gemaakt tussen ‘oplevering’ van het werk als verplichting van de aannemer om het werk feitelijk en eventueel juridisch (op) te leveren aan de opdrachtgever als bedoeld in art. 7:750 lid 1 BW en ‘oplevering’ als gevolg van de aanvaarding door de opdrachtgever als bedoeld in art. 7:758 lid 1 BW en bijvoorbeeld ook art. 7:761 BW.

Deze discussie kan blijven rusten, omdat met betrekking tot het begrip oplevering als rechtstoestand in de zin van art. 7:758 lid 1 BW, waarop deze cassatieprocedure ziet, in de literatuur in zoverre overeenstemming bestaat dat een proces van handelingen van partijen moet plaatsvinden voordat de aan deze rechtstoestand verbonden rechtsgevolgen intreden.

Die handelingen zijn achtereenvolgens, (1) de aannemer geeft te kennen dat het werk klaar is om opgeleverd te worden, (2) de opdrachtgever keurt en aanvaardt het werk, en (3) na aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd.

De hier bedoelde afzonderlijke handelingen zijn niet altijd expliciet waarneembaar.

Per geval zal moeten worden bepaald of uit de verklaringen en gedragingen van partijen dergelijke handelingen zijn af te leiden.

Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de wilsvertrouwensleer respectievelijk de uitwerking daarvan in de Haviltex-maatstaf.

De vorm en het ogenblik van de aanvaarding variëren naar gelang van de aard van het werk en de omstandigheden.

Zo kan bijvoorbeeld feitelijke ingebruikneming van het werk gelden als een gedraging van de opdrachtgever waaruit aanvaarding van het werk blijkt, maar dat hoeft niet zo te zijn.

De opdrachtgever kan bijvoorbeeld noodgedwongen het werk in gebruik moeten nemen, of kan de (juridische) gevolgen van ingebruikneming niet overzien.

Bij aanvaarding onder voorbehoud of bij weigering van het werk meldt de opdrachtgever de gebreken die het werk volgens hem vertoont.

In het geval de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn na mededeling van de aannemer dat het werk klaar is, keurt én meedeelt of hij het werk al dan niet aanvaardt, wordt hij geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard.

Op deze manier wordt voorkomen dat het werk nooit wordt opgeleverd wanneer de opdrachtgever weigert het werk te keuren, op andere wijze te reageren of het resultaat van de keuring mee te delen.

Wat betreft het verband tussen oplevering en klachtplicht − en het aan niet in acht nemen van de klachtplicht verbonden verval van recht − geldt het volgende.

Het derde lid van art. 7:758 BW vereist dat de opdrachtgever melding maakt van gebreken die bij de oplevering redelijkerwijs door hem ontdekt kunnen worden.

Deze bepaling is een concretisering van de algemene klachtplicht van art. 6:89 BW.

Uit art. 7:758 lid 3 BW volgt (volgens de meerderheidsopvatting in de literatuur) dat er voorafgaand aan de oplevering geen onderzoeks- en klachtplicht is.

Eventueel (deskundig) directietoezicht tijdens de bouw brengt wel mee dat bij de oplevering de kans dat alsdan een verborgen gebrek wordt ontdekt groter is.

Falend toezicht tijdens de bouw kan soms gevolgen hebben voor de schadevergoeding (art. 6:101 BW) of leiden tot rechtsverwerking (art. 6:248 lid 2 BW).

Naar komend recht wordt de onderzoeksplicht van de opdrachtgever bij de oplevering overigens beperkt.

Ter vergelijking: de algemene klachtplicht is van toepassing op het moment dat de prestatie door de schuldenaar wordt geleverd.

Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad kunnen de art. 6:89 en 7:23 BW onder omstandigheden echter ook reeds voor het moment van presteren van toepassing zijn indien de schuldenaar voorafgaande gelegenheid tot een inspectie biedt.

In ieder geval geldt voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs niet had moeten ontdekken, en die dus later aan het licht kunnen komen, dat de schuldeiser volgens art. 6:89 BW op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd.

Blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad kan onder omstandigheden voor beantwoording van de vraag of de prestatie een gebrek vertoont, een onderzoek door een deskundige nodig zijn.

In beginsel mag de schuldeiser de uitslag van dit onderzoek afwachten zonder de schuldenaar van het onderzoek op de hoogte te brengen.

Wanneer echter mag worden verwacht dat met het onderzoek langere tijd is gemoeid, of zulks tijdens de loop daarvan blijkt, volgt uit de strekking van art. 6:89 BW dat de schuldeiser aan zijn wederpartij onverwijld kennis dient te geven van dat onderzoek en de verwachte duur ervan.

Wat betreft het verband tussen oplevering en verjaring, geldt het volgende.

De oplevering van het werk is het moment waarop de lange verjaringstermijn van, voor bouwwerken, twintig jaren aanvangt (art. 7:761 lid 2 BW).

Art. 7:761 lid 1, eerste zin, BW bevat echter ook een korte verjaringstermijn:

“Elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk verjaart door verloop van twee jaren nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd.”

Ook art. 7:761 lid 1 BW gaat uit van de situatie dat het werk is opgeleverd.

Het in deze bepaling bedoelde protest kan dus betrekking hebben op bij de oplevering gemelde gebreken of op gebreken die bij de oplevering niet zijn gemeld.

In het laatste geval moet het gaan om een gebrek dat de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering niet redelijkerwijs had moeten ontdekken (omdat anders art. 7:758 lid 3 BW de aannemer al van aansprakelijkheid heeft ontslagen) en waarover tijdig is geklaagd (omdat anders rechtsverlies op de voet van art. 6:89 BW optreedt).

Deze verjaring geldt voor alle vorderingen tegen de aannemer ter zake van gebreken in het opgeleverde werk.

Art. 7:761 lid 1 BW gaat voor de aanvang van de verjaringstermijn uit van het moment van protest en van een korte verjaringstermijn van twee jaren.

Dit is eenzelfde soort regeling van de verjaring als volgens art. 7:23 lid 2 BW geldt bij de klachtplicht bij koop.

Art. 7:761 lid 1 BW wijkt bij aanneming van werk dus af van de verjaringstermijnen die op grond van Boek 3 BW in het algemeen gelden voor vorderingen tot schadevergoeding, ontbinding of herstel in verband met een gebrek in de prestatie en die korte termijnen van vijf jaar bevatten, te rekenen vanaf de dag volgende op die waarop de benadeelde met de schade en de aansprakelijke persoon (zie art. 3:310 lid 1 BW) respectievelijk met de tekortkoming (zie art. 3:111 lid 1 BW) bekend is geworden.

Het voorgaande geldt behoudens, voor zover wettelijk toegestaan, afwijkende contractuele regelingen.

Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat contractenrecht over het overeenkomstenrecht, over bijzondere overeenkomsten zoals aanneming van werk, over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders, over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, of over een bedrijfsovername, belt u dan gerust onze advocaat contractenrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het contractenrecht of over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.