Van onze advocaat ondernemingsrecht. De Rechtbank Rotterdam heeft op 26 juli 2017 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid en het ontslag van een statutair bestuurder. Betekende het ontslag van de statutair bestuurder ook het einde van de managementovereenkomst?

P werd ingezet als statutair bestuurder van dochtermaatschappijen van CRG. Een statutair bestuurder kan ingevolge artikel 2:244 lid 1 BW te allen tijde worden ontslagen. Niet in geding is dát P inmiddels als statutair bestuurder is ontslagen.

Het ontslag van een statutair bestuurder

Hoofdregel is dat het ontslag van een statutair bestuurder tot gevolg heeft dat daarmee ook de arbeidsovereenkomst tussen de bestuurder en de vennootschap eindigt (Hoge Raad, 15 april 2005, JOR 2005, 145). Partijen zijn echter uitdrukkelijk geen arbeidsovereenkomst aangegaan maar een managementovereenkomst. In de jurisprudentie is wel aanvaard dat het ontslag als statutair bestuurder niet altijd automatisch het einde van de managementovereenkomst betekent (Gerechtshof Den Haag 11 juni 2013, GHDHA:2013:CA3154 en Gerechtshof Amsterdam 12 november 2013, GHAMS:2013:3960), zij het dat die jurisprudentie ook wel kritiek heeft gekregen in de literatuur (JAR 2014/66). Dit kan in onderhavig geval echter verder in het midden blijven. Voor zover rechtens heeft te gelden dat het ontslag van een statutair bestuurder niet steeds het einde van de managementovereenkomst betekent, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval aannemelijk is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat bij P diens ontslag als bestuurder ook leidt tot het einde van zijn managementovereenkomst (derhalve de overeenkomst tussen CRG en HAW). In dit oordeel wordt het volgende meegewogen.

De managementovereenkomst

De managementovereenkomst kwalificeert als een overeenkomst van opdracht. Volgens artikel 7:408 lid 1 BW kan een overeenkomst van opdracht te allen tijde worden opgezegd, maar deze bepaling is bij een verhouding tussen professionele partijen (zoals hier) van regelend recht. Het stond HAW en GRG dus vrij een contractuele regeling te treffen over de vraag in welke gevallen de overeenkomst tussentijds mocht worden beëindigd. Dat hebben zij gedaan. Volgens het bepaalde in de managementovereenkomst mag de overeenkomst tussentijds ontbonden worden onder meer in geval van een toerekenbare tekortkoming.

Toerekenbare tekortkoming

HAW en GCG hebben niet gesteld dat het begrip toerekenbare tekortkoming zoals opgenomen in hun managementovereenkomst anders dient te worden begrepen dan hetgeen de wet daaronder verstaat. Het begrip toerekenbare tekortkoming is ook niet contractueel gedefinieerd. De voorzieningenrechter zal er daarom van uitgaan dat beoogd is om aansluiting te zoeken bij de betekenis van de wettelijke bepalingen omtrent tekortkoming en toerekenbaarheid.

De wet bepaalt dat in beginsel elke tekortkoming, dus ook een niet-toerekenbare tekortkoming, de ontbinding van overeenkomst rechtvaardigt. Ook dit is echter van regelend recht. Het staat partijen derhalve ook vrij om overeen te komen dat ontbinding alleen gerechtvaardigd is als de tekortkoming wél toerekenbaar is. Voorts bepaalt de wet dat élke tekortkoming de ontbinding van een wederkerige overeenkomst rechtvaardigt (dus ook een kleinere tekortkoming), dit tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

Bestuurdersaansprakelijkheid : behoorlijke taakvervulling : artikel 2:9 BW

Bij de beoordeling zal voorts in acht worden genomen dat een bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak (artikel 2:9 lid 1 BW). De stelling van HAW ter zitting dat van een toerekenbare tekortkoming onder de managementovereenkomst slechts sprake is als HAW of P een ernstig verwijt kan worden gemaakt, ex artikel 2:9 BW lid 2 faalt. Het gaat hier om de rechtmatigheid van de tussentijdse ontbinding van de managementovereenkomst. De bepaling van artikel 2:9 lid 2 BW werkt naar voorshands oordeel in dit verband niet op de door HAW verdedigde wijze door in de verhouding tussen HAW en CRG op basis van de managementovereenkomst.

Naar voorlopig oordeel is aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure geoordeeld zal worden dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming zijdens P. Allereerst is bij dit oordeel van belang dat P ter zitting heeft erkend dat hij regelmatig substantiële bedragen afboekte van bankrekeningen van CRG en RTS naar bankrekeningen van een eigen onderneming, welke bedragen dan op enig later moment weer werden teruggeboekt. De verklaring van P was dat het hier om niets anders ging dan om cash management. Wat hiermee precies bedoeld werd en waarom P dit deed heeft hij niet uitgelegd. Als onweersproken staat vast dat P hiervoor in ieder geval geen toestemming had van CRG en RTS. Alleen al daarom had hij daarvan af dienen te zien. P heeft moeten begrijpen dat hij met deze handelwijze een aanslag deed op de liquiditeitspositie van CRG en RTS. Ook zijn CRG en RTS waarschijnlijk enige rente misgelopen. P handelde niet in enig belang van CRG en RTS, respectievelijk diende slechts zijn eigen belang dan wel dat van zijn onderneming.

De genoemde overboeking van € 40.000,- door P kwalificeert als een toerekenbare tekortkoming.

Gelet op één en ander is voorshands aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat HAW, gelet op het gedrag van P, tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen en dat ook zal worden geoordeeld dat deze tekortkoming(en) aan haar kan worden toegerekend, krachtens schuld, zodat de managementovereenkomst tussentijds met onmiddellijke ingang mocht worden beëindigd en ontbonden, tegelijk met het ontslag als statutair bestuurder.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u vragen over het ondernemingsrecht, over een managementovereenkomst, het ontslag van bestuurders van een onderneming of over bestuurdersaansprakelijkheid, belt u dan gerust onze advocaat ondernemingsrecht op 020-3980150.