Van onze advocaat bedrijfsovername. De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 21 juli 2017 uitspraak gedaan over afgebroken onderhandelingen en de vordering strekkende tot door onderhandelen over de voorgenomen fusie van twee bedrijven.
De advocaat van eiseres vordert dat gedaagden wordt bevolen de onderhandelingen met eiseres over de voorgenomen fusie tussen bedrijf 2 en bedrijf 2 te heropenen en op een redelijke wijze voort te zetten.
De advocaat van gedaagden voert hiertegen als formeel verweer aan deze vordering ten onrechte door eiseres, als minderheidsaandeelhouder van bedrijf 3, is ingesteld tegen gedaagden, als medeaandeelhouders in bedrijf 3 en aandeelhouders in bedrijf 2. Volgens gedaagden dient een vordering tot door onderhandelen over een juridische fusie te worden ingesteld door de ene te fuseren vennootschap tegen de andere te fuseren vennootschap.
Volgens eiseres gaat dit verweer niet op, nu de vordering niet is gegrond op artikel 2:309 BW, maar op de grond dat de aandeelhouders zich volgens haar jegens elkaar hebben verbonden om te komen tot een fusie, zodat er sprake is van een voorovereenkomst tussen hen dan wel van gerechtvaardigd vertrouwen van eiseres dat de fusie tot stand zou komen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de beoordeling van het formele verweer achterwege blijven, nu de vordering op materiële gronden niet toewijsbaar is. Daartoe overweegt hij als volgt.
Afgebroken onderhandelingen
Bij de beoordeling van een vordering uit afgebroken onderhandelingen heeft als uitgangspunt te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn.
Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen. Deze maatstaf moet streng en terughoudend worden toegepast.
Voor zover de verplichting tot verder onderhandelen wordt gebaseerd op een overeenkomst, is de uitleg van die overeenkomst in uitgangspunt bepalend voor de (omvang) van de onderhandelingsverplichting. Of er tussen partijen een overeenkomst (op onderdelen) tot stand is gekomen, dient te worden beoordeeld aan de hand van de Haviltex-uitlegmaatstaf: het is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.
Eiseres stelt ter onderbouwing van haar vordering het volgende. De onderhandelingen tussen partijen in het voorjaar van 2016 hebben geleid tot een concreet voorstel om te komen tot een voorovereenkomst om een fusie te realiseren. Dit voorstel bestond uit het aanbod van gedaagden van 25 april 2016 dat door eiseres op 26 april 2016 is aanvaard.
Partijen zijn overeengekomen dat de aandelen in de vennootschap na fusie zouden worden verdeeld in de verhouding: B 31%, C 31%, A 22% en D 16%, dat ieder een gelijk stemrecht zou krijgen en dat er alleen aandelen verkocht zouden kunnen worden bij unaniem besluit. Daarmee was de fusie economisch rond.
Over de precieze vorm zou in een latere vergadering worden besloten in verband met het feit dat er meerdere mogelijkheden waren. Verder zijn partijen overeengekomen dat een schuld van D van € 50.000,00 zou worden kwijtgescholden en er een dividenduitkering zou volgen van € 50.000.00 per vennoot in bedrijf 3 om de cashpositie van bedrijf 3 en bedrijf 2 wat meer gelijk te trekken voordat de fusie zou plaatsvinden. Daarop is F aangesteld om de fiscaal-juridische uitvoering op zich te nemen en om de overeengekomen fusie te formaliseren. Er heeft een bespreking plaatsgevonden met F en hij heeft op 4 juni 2016 schriftelijk opmerkingen gemaakt en een actieplan opgesteld. Vervolgens zijn er meerdere uitvoeringshandelingen verricht. Ook zijn er specifieke afspraken gemaakt om de resterende punten uit te werken en op te lossen. Eiseres stelt dat uit deze feiten en omstandigheden volgt dat er tussen partijen overeenstemming is bereikt over de beoogde fusie en dat eiseres er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat gedaagden de fusie door zouden laten gaan en zouden afronden.
De voorzieningenrechter volgt eiseres hierin niet. Uit de e-mailwisseling tussen partijen van 25 en 26 april 2016 kan weliswaar worden afgeleid dat bij partijen de wens bestond om tot een fusie van bedrijf 3 en bedrijf 2 te komen, maar ook dat over de voorwaarden waaronder zij tot fusie zouden overgaan nog geen volledige overeenstemming bestond.
Hieruit blijkt dat partijen ook andere belangrijke onderdelen van de in het kader van de gewenste fusie te maken afspraken nog moesten uitdiepen en bespreken. Er diende een businessplan te worden opgesteld met verschillende scenario’s, waarbij vooral het mogelijke negatieve scenario moest worden doorgenomen en de consequenties daarvan moesten worden besproken. De taken, verantwoordelijkheden en beoogde resultaten van A, C, B en D dienden nog te worden opgesteld en toegewezen en ook diverse praktische zaken waaronder de managementfees dienden nog te worden vastgesteld.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands niet worden aangenomen dat er sprake was van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van eiseres in het slagen van de fusieonderhandelingen. Van een in beginsel gerechtvaardigd te achten totstandkomingsvertrouwen kan pas worden gesproken als het overleg tussen partijen tenminste heeft geresulteerd in een mate van consensus over de punten die zij in elk geval hebben beoogd te regelen in het kader van de rechtsverhouding die hen voor ogen stond, die maakt dat partijen het stadium naderden van contractuele gebondenheid.
Uit de e-mails volgt wel dat partijen naar elkaar de wens hebben uitgesproken om tot een fusie tussen bedrijf 3 en bedrijf 2 te komen en dat zij het erover eens zijn geworden wat de aandelenverhouding en stemverhouding zou moeten worden in de vennootschap na fusie, en dat er een dividenduitkering door bedrijf 3 zou worden gedaan van € 50.000,00 per vennoot en er een schuld van € 50.000,00 van D zou worden kwijtgescholden. Maar uit de e-mails volgt ook dat voor partijen duidelijk was dat belangrijke onderwerpen nog moesten worden uitgediept en besproken, zoals de hiervoor genoemde onderwerpen en mogelijke scenario’s aangaande bedrijf 1 en de vennootschap na fusie.
Nu partijen op deze wezenlijke onderdelen van de in het kader van de gewenste fusie door hen te maken afspraken nog geen overeenstemming hadden bereikt, kan niet worden gezegd dat de onderhandelingen tussen partijen gelet op de reeds gemaakte afspraken in een dermate gevorderd stadium waren dat eiseres erop mocht vertrouwen dat deze zouden slagen.
Uit al het vorenstaande volgt dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter het standpunt van eiseres zal volgen, inhoudende dat gedaagden een verplichting hebben tot door onderhandelen. Daarom wordt de eerste vordering van eiseres afgewezen. Hierdoor kan in het midden blijven of de door gedaagden gestelde gewijzigde (onvoorziene) omstandigheden na april 2016 zodanig zijn dat gedaagden de onderhandelingen toch hebben mogen afbreken, ook als eiseres in april 2016 wel het gerechtvaardigd vertrouwen zou hebben gehad dat er een fusieovereenkomst tot stand zou komen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u vragen over een bedrijfsovername, over onderhandelingen over de overname van een bedrijf of onderneming of over een fusie tussen ondernemingen, belt u dan gerust onze advocaat bedrijfsovername op 020-3980150.