Van onze advocaat ondernemingsrecht. Op 25 maart 2016 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan over een geldvordering in kort geding betreffende  een vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risicokan bijdragen tot weigering van de voorziening.

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. (HR 5 september 2014, NJ 2015, 22 en HR 5 september 2014, NJ 2015, 21). De lat om een dergelijke aansprakelijkheid aan te nemen ligt echter hoog. De ratio voor deze hoge drempel is te voorkomen dat bestuurders onwenselijk defensief worden in hun handelen.

Een bestuurder van een vennootschap treft onder meer persoonlijk een ernstig verwijt, en is uit dien hoofde aansprakelijk te houden, indien hij bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie is gerechtvaardigd dat hem ter zake van deze benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (de ‘Beklamel-norm’, vgl. o.a. Hoge Raad 5 september 2014 ECLI:NL:HR:2014:2627).

Naar voorlopige oordeel bestaat geen grond om gedaagden, als de (middellijk) bestuurders van ITS, aansprakelijk te houden op de grondslag dat zij wisten of redelijkerwijze behoorden te begrijpen dat ITS, bij het inhuren van eiseres, niet in staat zou zijn de kosten van dit inhuren te voldoen. Gedaagden hebben ter zitting aangevoerd dat eiseres bij aanvang van zijn werkzaamheden voor ITS meermaals kenbaar heeft gemaakt dat hij medeaandeelhouder in ITS wilde worden. Eiseres zag volgens gedaagden veel perspectief in dit bedrijf, met name omdat ITS op dat moment doende was om een nieuwe vennootschap op te richten waarin eiseres, die ten behoeve van deze oprichting was ingehuurd, veel perspectief zag.Voor zover eiseres de feitelijke juistheid van dit verweer van gedaagden wil betwisten, is nadere bewijslevering nodig teneinde te kunnen beoordelen wie der partijen hierin gelijk heeft. Daarvoor leent een kort gedingprocedure zich niet.

Een bestuurder van een vennootschap kan eveneens in persoon aansprakelijk worden gehouden, indien hij heeft bewerkstelligd dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt (betalingsonwil). Daarvan kan onder meer sprake zijn indien de bestuurder van een op zich rendabele vennootschap, de activiteiten van deze vennootschap zonder redelijke grond heeft overgeheveld naar een andere, onder zijn beheer staande vennootschap. Bij dit overhevelen kan alleszins voorzienbaar zijn dat de leeggehaalde vennootschap haar verplichtingen niet meer zal kunnen voldoen.

Er kan op voorhand geenszins worden uitgesloten dat ITS door haar bestuurders is leeggehaald, ten nadele van eiseres, die haar facturen op ITS onbetaald ziet gebleven. Wat daar echter ook van zij, de voorzieningenrechter kan uiteindelijk niet goed beoordelen of ITS wel of niet levensvatbaar (meer) was toen gedaagden hun activiteiten daarin op een laag pitje hebben gezet. Het voert te ver om in een kort gedingprocedure, zonder bewijslevering en/of zonder benoeming van een financieel deskundige die een onderzoek heeft verricht naar de levensvatbaarheid van ITS, tot toewijzing van de vordering te komen. Een kort gedingprocedure is naar zijn aard weinig geschikt voor toewijzing van een geldvordering op de grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid, welke grondslag, zoals gezegd, een hoge lat heeft en waarvan de beoordeling veelal een grondige kennis van de bedrijfseconomische omstandigheden vergt.

Indien U vragen heeft aan onze advocaat over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht of over het kort geding belt u dan onze advocaat ondernemingsrecht op 020-7400521 of stelt u hier een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht.