Van onze advocaat ondernemingsrecht. Op 8 maart 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid voor het aangaan en continueren van een arbeidsovereenkomst.
Kernvraag is of de bestuurders primair als bestuurders van de onderneming en subsidiair persoonlijk aansprakelijk zijn voor de door de advocaat van appellant gevorderde schade. Ter zake de primaire grondslag van de vordering geldt het volgende.
Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (Hoge Raad 5 september 2014, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K).
In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name Hoge Raad 8 december 2006, NJ 2006, 659, Ontvanger/Roelofsen) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vergelijk Hoge Raad 18 februari 2000, NJ 2000, 295, NHB/Oosterhof).
Voor de onder de eerste bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. Dit is de zogenoemde Beklamelnorm naar Hoge Raad 6 oktober 1989, NJ 1990, 286, laatstelijk geduid in Hoge Raad 5 september 2014, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K., waaruit volgt dat deze norm in de kern de eis inhoudt dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.
In de onder de tweede bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou (kunnen) nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. Het ligt daarbij bij zowel de hiervoor onder (i) als de onder (ii) bedoelde gevallen op de weg van de benadeelde crediteur om per aangesproken bestuurder te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de betreffende bestuurder persoonlijk jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld.
Aangezien de vordering van de advocaat van de appellant is gebaseerd op 6:162 BW (en niet op grond van artikel 2:9 BW of op grond van artikel 2:138/248 BW of 2:139/249 BW) dient hij ten aanzien van de bestuurders afzonderlijk te stellen en bewijzen dat zij persoonlijk onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. De verwijzing door appellant naar het beginsel van collectief bestuur zoals omschreven in artikel 2:9 BW, waardoor de bestuurder verantwoordelijk zou zijn voor de algemene gang van zaken in de vennootschap gaat in zoverre niet op. Dat een bestuurder die niet de gewraakte betalingsverplichting namens de vennootschap is aangegaan er niet op toeziet dat die verplichting wordt nagekomen is op zich beschouwd onvoldoende om zijn aansprakelijkheid aan te nemen (HR 8 januari 1999,NJ 1999, 318 inzake Pelco/Sturkenboom); daarvoor dienen meer bijzondere omstandigheden te worden aangevoerd. Nu de advocaat van appellant niet meer stelt dan dat de bestuurder gehouden was om maatregelen te treffen om het onbehoorlijk bestuur van de andere bestuurder te voorkomen en dit niet tijdig heeft gedaan, en daarmee onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aanvoert die wijzen op voorzienbare benadeling van appellant als gevolg van het hem verweten nalaten, is dat onvoldoende om hem persoonlijk een voldoende ernstig verwijt te kunnen maken.
Daarbij acht het hof van belang dat de bestuurder onweersproken heeft aangevoerd dat hij achteraf met besluiten van de andere bestuurder inzake het aannemen van personeel werd geconfronteerd en voor nadere financiering heeft gezorgd, toen hem duidelijk werd dat die bestuurder namens de vennootschap verplichtingen aanging en kosten maakte, terwijl er geen concrete opdrachten in zicht waren en de financiers, waar die bestuurder mee schermde, niet over de brug kwamen. Hieruit volgt dat aansprakelijkheid van bestuurder op grond van artikel 6:162 BW niet kan worden aangenomen. De vordering van de advocaat appellant kan daarmee niet op de genoemde grondslag worden toegewezen.
Indien U vragen heeft aan onze advocaat over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht of over een arbeidsovereenkomst belt u dan onze advocaat ondernemingsrecht op 020-7400521 of stelt u hier een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht.