Van onze advocaat ondernemingsrecht. Onlangs heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan over dividendrecht en dividendbewijzen in het kader van een conversie van aandelen.

De advocaat van eiser heeft primair gesteld dat het besluit tot wijziging van de statuten nietig is, omdat in strijd met het bepaalde in artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 2:205 lid 9 BW een aandeelhouder geheel is uitgesloten van het delen van de winst. De rechtbank neemt aan dat bedoeld is een beroep te doen op 2:105 lid 9 BW.

De rechtbank verwerpt het beroep van eiser. In de statuten wordt geen aandeelhouder uitgesloten van zijn recht op winstdeling. Wel worden er in verband met de conversie van aandelen in 2002 (en in 2007) voorwaarden gesteld aan de uitoefening van dat recht. De ondergrens is dat de aandelen aan toonder ter conversie moeten zijn ingeleverd en dat de aandeelhouder aandelen op naam heeft ontvangen en voorts, kort gezegd, dat de huidige aandeelhouder of de verkoper van die aandelen aan de huidige aandeelhouder geen schuld aan de vennootschap mag hebben. Niet valt in te zien dat een dergelijke statutaire bepaling op zichzelf nietig is.

Het meest vergaande verweer van de advocaat van B is dat eiser, zo hij houder van dividendbewijzen is, de rechten die daaraan verbonden zijn niet kan uitoefenen, omdat de aandelen aan toonder, waaraan de dividendbewijzen kennelijk zijn verbonden, nimmer ter conversie bij de vennootschap zijn ingeleverd. Zolang dat niet is geschied is de uitoefening van de rechten die verbonden zijn aan de aandelen geschorst. Dit is zo neergelegd in artikel 3.8 van de huidige statuten en het vloeit voort uit artikel 2:82 lid 4 BW. Dat leidt ertoe, aldus de advocaat van B, dat het recht op dividend thans niet kan worden uitgeoefend.

De advocaat van eiser heeft tegen dit verweer het volgende aangevoerd. Een dividendbewijs is een zelfstandig waardepapier, waarvan de rechten los van het aandeel kunnen worden uitgeoefend. Ook is een dividendbewijs vrij verhandelbaar door een ander dan de aandeelhouder. Het recht op dividend kan los van het aandeel worden uitgeoefend. Volgens eiser moet dan ook bij de toepassing van de statuten en van artikel 2:82 lid 4 BW een onderscheid gemaakt moet worden tussen de uitoefening van rechten uit het aandeel en die uit het dividendbewijs.

De rechtbank overweegt het volgende.

Artikel 2:82 lid 4 BW bepaalt voor zover in deze procedure van belang dat, indien aandelen aan toonder door een statutenwijziging op naam worden gesteld, de aandeelhouder de aan een aandeel verbonden rechten niet kan uitoefenen tot na inlevering van het aandeelbewijs bij de vennootschap. In dit wetsartikel of de toelichting daarop wordt geen onderscheid in opgeschorte rechten gemaakt. De rechtbank oordeelt dat het recht op dividend naar zijn aard verbonden is aan het aandeel. Indien de aan het aandeel verbonden rechten niet kunnen worden uitgeoefend dan kan daarmee het recht op winstdeling of dividend evenmin worden uitgeoefend. Eiser heeft wel aangevoerd dat een dividendbewijs een zelfstandig recht geeft op winstdeling, hetgeen op zichzelf genomen juist is, maar voor zover eiser met dat standpunt beoogt te stellen dat de werking van een dividendbewijs en daarmee ook de uitoefening van de daaraan verbonden rechten volledig losgekoppeld moet worden van het aandeel, dan is dat in elk geval onjuist, indien, zoals in dit geval, de aan het aandeel verbonden rechten tijdelijk, namelijk zolang de aandeelbewijzen niet ter conversie zijn ingeleverd, niet kunnen worden uitgeoefend. Of eiser al dan niet te goeder trouw houder of eigenaar is geworden van de dividendbewijzen, doet daarbij niet ter zake. De rechtbank laat dat ook verder in het midden en zal daarnaar geen onderzoek verrichten. In beide gevallen zou de uitkomst immers dezelfde zijn, namelijk zoals zojuist verwoord. De statutenwijziging kan op deze gronden niet als onredelijk worden gekwalificeerd.

Indien U vragen heeft aan onze advocaat over aandelen en dividenduitkering in het ondernemingsrecht belt u dan onze advocaat ondernemingsrecht op 020-7400521 of stelt u hier een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht.