Bestuurdersaansprakelijkheid

Wordt u als bestuurder aangesproken door de BV of door crediteuren of vreest u aansprakelijkheid bij uitkering van dividend? Of bent u juist een schuldeiser die uw vordering niet kan verhalen omdat verhaal op de BV niet mogelijk is en overweegt u de bestuurder aansprakelijk te stellen? Bel onze advocaten bestuurdersaansprakelijkheid dan direct: 020-7400521.

Hieronder behandelen wij de drie gronden die ten basis liggen aan bestuurdersaansprakelijkheid, te weten:

1. Interne bestuurdersaansprakelijkheid van artikel 2: 9 BW;

2. Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement;

3. Bestuurdersaansprakelijkheid bij onrechtmatige daad.

Daarna behandelen wij de aansprakelijkheid van indirecte bestuurders. Op een aparte pagina vindt u 10 belangrijke arresten voor bestuurdersaansprakelijkheid.

1. Interne bestuurdersaansprakelijkheid

In artikel 2:9 BW staat dat iedere bestuurder tegenover de BV zijn taak behoorlijk moet vervullen. Het betreft hier een interne aansprakelijkheid binnen de BV. Een aansprakelijkheid derhalve tegenover de BV en geen grond voor vorderingen van crediteuren. Een vordering gebaseerd op dat artikel, gecombineerd met de toepassing van artikel 2:11 BW, kan slechts worden ingesteld door de vennootschap tegen haar (middellijk) bestuurders. Als u een vraag heeft voor onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid, klik dan hier of bel ons: 020-7400521.

Ernstig verwijt

Voor de aansprakelijkheid ex artikel 2: 9 BW is nodig dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan is sprake als geen redelijk handelend bestuurder onder gelijke omstandigheden op dezelfde wijze zou hebben gehandeld. Dit dient beoordeeld te worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval.Van aansprakelijkheid is pas sprake bij een onmiskenbare tekortkoming, een tekortkoming waarover geen redelijk oordelend en verstandig bestuurder twijfelt. Handelen in strijd met statutaire bepalingen geeft volgens het arrest Berghuizer Papierfabriek (zie ook arresten onderaan de pagina) een sterke aanwijzing voor aanwezigheid ernstig verwijt.

Decharge

Decharge zorgt ervoor dat de bestuurder is bevrijd van interne aansprakelijkheid. Maar let wel op waar de decharge betrekking op heeft, aangezien deze immers vaak beperkt is en niet het gehele beleid van het bestuur betreft. Of zoals in Staleman/ Van der Ven werd bepaald: “(..) In het bijzonder kan niet worden aanvaard dat een décharge zich ook zou uitstrekken tot informatie waarover een individuele aandeelhouder uit anderen hoofde – buiten het verband van de algemene vergadering van aandeelhouders – de beschikking heeft gekregen, of tot gegevens die niet uit de jaarrekening blijken of niet anderszins aan de algemene vergadering van aandeelhouders zijn bekendgemaakt voordat deze de jaarrekening vaststelde.”

Gezamenlijke aansprakelijkheid

Voor een behoorlijke vervulling van de bestuurstaak, zoals bepaald in artikel 2:9 BW zijn de bestuurders gezamenlijk verantwoordelijk. Wanneer ernstige verwijtbaarheid bij de vervulling van de bestuurstaak wordt aangenomen, wordt dit het hele bestuur als collectief aangerekend en zijn de bestuurders voor de tekortkoming hoofdelijk aansprakelijk. De individuele bestuurder kan zich wel disculperen indien de tekortkoming niet aan hem te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

Mocht u een vraag hebben over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht dan kunt u deze hier stellen aan onze advocaat of ons direct bellen: 020-7400521.

Verjaring

Vordering ex artikel 2:9 BW verjaart op grond van artikel 3:310 BW door verloop van vijf jaar nadat de benadeelde rechtspersoon zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geraakt. Indien die verjaringstermijn zou aflopen terwijl de bestuurder nog in functie is, loopt de verjaringstermijn door totdat zes maanden zijn verstreken na het defungeren van de bestuurder.

2. Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement

Mocht er bij een faillissement sprake zijn van wanbeleid door bestuurders, dat een oorzaak is van het faillissement, dan zijn zij jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag van de schulden van de vennootschap, voor zover dit niet door vereffening van de overige baten kan worden voldaan. Onder wanbeleid wordt een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling verstaan. Hiernaast moet het aannemelijk zijn dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is.

Wie aansprakelijk?

Naast de bestuurder zijn ook de (mede)beleidsbepaler (artikel 2:138/2:248 lid 7 BW), commissarissen (artikel 2: 259 BW) en de tweedegraadsbestuurder (artikel 2:11 BW) aansprakelijk. In dat kader is het verstandig erover na te denken of u de moeder wel bestuurder moet maken van een dochter BV. Bij buitenlandse rechtspersonen zijn naast de bestuurders en commissarissen (artikel 10:121 lid 1 BW) ook zij die de leiding hebben van in Nederland verrichte werkzaamheden (artikel 10:121 lid 1 BW)aansprakelijk.

Onbehoorlijk bestuur

Wanneer is er nu sprake van onbehoorlijk bestuur? Daarvoor is allereerst nodig dat het evident is dat er sprake is van onbehoorlijk bestuurd. Het criterium daarbij is dat er sprake is van beleid dat geen bestuurder met vereiste bekwaamheid zou hebben uitgevoerd.

De vordering kan slechts teruggaan tot 3 jaren voorafgaand aan het faillissement.

Omkering bewijslast

In de volgende twee gevallen is er sprake van een omkering van de bewijslast:

• Niet tijdig publiceren jaarrekening (artikel 2:394 BW), hetgeen uiterlijk 13 maanden na afloop van het boekjaar moet geschieden. Maar let op, bestuurders in het arrest Van Schilt/Jansen q.q. heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het ontbreken van een accountantsverklaring is in beginsel schending is van de publicatieplicht. Soms is publiceren met een negatieve accountantsverklaring derhalve beter dan publiceren zonder accountantsverklaring.;

• Niet voldoen aan de boekhoudplicht (artikel 2:10 BW). Hoe omvangrijk die boekhoudplicht is heeft de Hoge Raad belicht in het arrest Brens/Sarper, namelijk dat deze afhankelijk is van de aard en omvang van de onderneming.

Als aan één van de vorige twee punten is voldaan dan komt kennelijk onbehoorlijk bestuur onweerlegbaar vast te staan en kan de bestuurder trachten te weerleggen dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De bestuurder kan dit doen door te bewijzen dat het verzuim onbelangrijk is of door het inroepen van een individuele disculpatie of door weerlegging van het causaal verband tussen kennelijk onbehoorlijk bestuur en faillissement.

Onbelangrijk verzuim

De Hoge Raad heeft het volgende uitgemaakt over onbelangrijk verzuim: “Van een onbelangrijk verzuim als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW is sprake indien het niet voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in dat artikellid in de omstandigheden van het geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Indien het, zoals in dit geval, gaat om de overschrijding van de jaarrekening, geldt dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesprokene bestuurder rusten. Mocht u een vraag hebben over bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement, dan kunt u deze hier stellen of ons bellen: 020-7400521.

3. Bestuurdersaansprakelijkheid: onrechtmatige daad

Bent u schuldeiser en kunt u, om welke reden dan ook uw vordering niet verhalen op de BV? Dan zou aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van een onrechtmatige daad een mogelijkheid kunnen zijn. De lat ligt hoog, maar er komen steeds meer arresten met mogelijkheden.

Reeds sinds het arrest “Knabbel en Babbel’ van de Hoge Raad geldt dat een BV onrechtmatig kan handelen als de gedraging van een bestuurder in het maatschappelijk verkeer geldt als een gedraging van de BV. Het kan echter ook zijn dat een bestuurder ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt, zodat deze persoonlijk aansprakelijk is voor de onrechtmatige gedraging.

De mogelijkheden

Indien u als crediteur een bestuurder wilt aanspraken op onrechtmatig handelen dan heeft u drie mogelijkheden:

1. Beklamel;

2. Het frustreren van verhaal;

3. Selectieve betaling

Onderaan de pagina vindt u bij de belangrijke arresten voor bestuurdersaansprakelijkheid het arrest Ontvanger/Roelofsen.

Hoge drempel

In het arrest Willemsen/NOM heeft de Hoge Raad bepaald dat er een hoge drempel is voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde, welke wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten beperken. Weet waar u aan begint als crediteur, de lat ligt hoog. Stel vrijblijvend uw vraag hier of bel ons: 020-7400521.

1. Beklamel-norm

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt is dus afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (Hoge Raad, 6 oktober 1989, NJ 1990, 286 (Beklamel) en Hoge Raad, 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen).

Daarbij is dit criterium in het recente RCI-arrest nog nader aangescherpt: “In de kern houdt dit zogenoemde “Beklamelcriterium” de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.”

Bewijslast

Wie moet dit nu bewijzen? De schuldeiser of de bestuurder? In het arrest Romme/Bakker is een poging gewaagd om de bewijslast bij de bestuurder te leggen, maar de Hoge Raad wilde hier niet aan. Wel bepaalde de Hoge raad het volgende: “dat zich niettemin gevallen kunnen voordoen waarin het zozeer voor de hand ligt dat degeen die de volledige zeggenschap had over de vennootschap, wordt belast met het bewijs dat hij ten tijde van het aangaan van de door de vennootschap niet nagekomen overeenkomst wist noch behoorde te weten dat zij niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden, dat, indien de rechter niettemin de verhaal zoekende eiser belast met het bewijs van het tegendeel, hij behoort te preciseren welke bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen.”

Als u als schuldeiser een procedure begint of als u zich als bestuurder moet verdedigen, dan moet u van tevoren dus zeer goed nadenken over uw bewijsmogelijkheden. Stel vrijblijvend uw vraag hier of bel ons: 020-7400521.

2. Frustreren verhaal

De Beklamel-norm ziet op door de bestuurder namens de BV gesloten nieuwe overeenkomsten. De tweede mogelijkheid ziet op het door de bestuurder toelaten dat de vennootschap wanprestatie pleegt bij reeds bestaande overeenkomsten. De norm hierbij is de volgende: “(..) kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.”

De voorbeelden in de jurisprudentie zijn onder andere het doorverkopen van in consignatie gegeven tractoren en het onttrekken van een verpand voertuig aan de macht van de pandhouder. Stel vrijblijvend uw vraag hier of bel ons: 020-7400521.

3. Selectief betalen

De derde mogelijkheid van een schuldeiser om een bestuurder op onrechtmatige daad aan te spreken is selectief betalen. Nu is selectief betalen op zich niet onrechtmatig; er moet iets extra’s bijkomen. De Hoge Raad heeft het als volgt omschreven in het recente Air Holland arrest: HR: “Het gaat erom of de aansprakelijk gestelde bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Dit betekent dat, anders dan de onderdelen betogen, voor een ernstig verwijt als in voormeld arrest van de Hoge Raad bedoeld, voldoende is dat de bestuurder ten tijde van het hem verweten handelen of nalaten ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat ondanks de gestelde tegenvordering een vordering op de vennootschap zou resteren”. Stel vrijblijvend uw vraag hier of bel ons: 020-7400521.

4. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de indirecte bestuurders

Artikel 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Via deze bepaling zijn ook alle indirecte bestuurders, waaronder uiteindelijk de natuurlijke personen die bestuurders zijn, aansprakelijk.

In Hoge Raad, 23 mei 2014 (K /Maas qq) is geoordeeld dat bij de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag van de indirect bestuurder aansluiting moet worden gezocht bij de maatstaven zoals vermeld in Hoge Raad, 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen). In deze zaak vorderde de curator schadevergoeding wegens onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) op grond dat de indirect bestuurder had meegewerkt aan benadeling van schuldeisers van de gefailleerde vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van hun vordering (Hoge Raad, 14 januari 1983, NJ 1983, 597) terwijl de indirect bestuurder ten tijde van de gestelde benadeling enig bestuurder was van de moedermaatschappij, die enig bestuurder was van het betreffende bedrijf. De indirect bestuurder bepaalde het beleid van het bedrijf. Stel vrijblijvend uw vraag hier of bel ons: 020-7400521.